Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 99: Over therapeutische schilders en autistische genieën  »
 
Manon heeft zojuist met Helen een toneelstuk van Toon Tellegen gezien. Het ging over geluk en Helen, somber, meldt dat dat niet voor haar is weggelegd. Manon trakteert om haar op te beuren en omdat ze een subsidie heeft gekregen voor haar project en in de foyer legt ze uit waar het over gaat. Ze gaan aan een tafeltje onder een hippe lamp zitten waarin een afbeelding van Michelangelo verwerkt is. Helen weet te vertellen dat hij een autist (...)

“Fantastisch stuk.” Manon kijkt enthousiast naar de drie acteurs op het toneel die buigend het applaus in ontvangst nemen.
“Mwaa,” Helen duwt Manon zachtjes richting de uitgang, “ik heb wel betere stukken gezien, ik vond het een beetje te simpel.”
“Simpel?” Manon kijkt haar verbaasd aan. Ze schuifelen achter de menigte aan naar de foyer. “Het was juist heel treffend zoals die twee vrouwen over geluk zitten te filosoferen terwijl die man voor hun ogen aan het verdrinken is. Ik vind het een mooie metafoor voor al die mensen die tegenwoordig maar eindeloos praten over problemen in de samenleving en, als het er op aan komt, nooit iets doen.”
“Dat is misschien wel zo, maar er zat geen vaart in.”
“Kijkt u eens, mevrouw.” Een van de actrices staat bij de uitgang en duwt hen een rolletje snoep in de hand
Manon leest de tekst die er op staat. Geluk is een omstander. "Leuk, dat maakt het net af.”
“Was het maar zo simpel met dat geluk.” Moppert Helen.
“Helen, wat is er?” Manon kijkt haar vriendin onderzoekend aan. “Je bent niet te genieten.”
“Ik weet het niet.” Helen haalt onwillig haar schouders op.
“Gaat het niet goed?”
“Niet goed? Dat vind ik een understatement. Het gaat klote. Met mijn werk wil het niet lukken, ik kan amper de eindjes aan elkaar knopen en met de liefde is het ook allemaal niks.”
“Heb je nog steeds geen leuke scharrel gevonden tussen al die internetvrienden van je?”
“Nee, joh. Daar word je helemaal niet wijzer van.” Helen zucht. “Het is een hoop vaag gebabbel. En als je dan eens een paar leuke mensen vindt, blijken die heel ver weg te wonen.”
“Je hebt gewoon een vent nodig.” Constateert Manon. “Eentje van vlees en bloed, geen digitale mooiprater.”
“Maar hoe vind ik die?” Ze kijkt Manon hulpeloos aan. “Ik ben nu al veertig, en volgens Felix is mijn leven dus eigenlijk voorbij.”
“Nee, joh!” Manon geeft haar een opbeurende stomp. “Hij heeft gezegd dat elk jaar na je veertigste een cadeautje is, dus nu kun je echt ongegeneerd gaan genieten. Laten we eerst maar eens wat gaan drinken.” Ze trekt Helen mee naar de bar van de foyer. “Ik trakteer want ik heb vanmiddag gehoord dat we een subsidie hebben gekregen.”
“Voor dat dagboekproject met die kunstenaars?”
Manon knikt.
“Jij bent voor het geluk geboren.” Zegt Helen klagelijk. “Je hebt een leuke man, een vast baantje dat ik dolgraag zou willen hebben en nou ook nog die subsidie. Hoe krijg jij dat toch voor elkaar?”
“Geen idee. We hebben dat voorstel ingediend en we kregen het. Ik denk dat de vraagstelling gewoon goed viel, het project gaat namelijk over identiteit.”
“Dat is erg in, ja.” Helen knikt. ”Maar wat heeft dat dan met het dagboekproject te maken?”
“Dat weet ik eigenlijk niet zo goed.” Manon lacht onzeker. “En ik vraag me af of die kunstenaars dat zelf wel weten. Voorlopig maak ik veel foto’s en de kunstenaars verzamelen dagboeknotities en nieuwsberichten... Dat soort dingen. Die vullen we aan met eigen interpretaties en zelfbedachte anekdotes. Op die manier worden geloof ik werkelijkheid en fictie vermengd en waar we nu benieuwd naar zijn is of daardoor een nieuwe of andere identiteit kan ontstaan.”
“Zie je, daar heb je het al.” Zegt Helen somber. “Dat soort praatjes vindt zo’n kunstcommissie geweldig.”
“Of misschien vinden ze het gewoon wel een goed projectplan.” Zegt Manon licht geïrriteerd.
“Als het maar niet zo is dat ik mezelf straks in jullie project terug vind.” Helen kijkt haar bezorgd aan. “Zoals bij Het Bureau van Voskuil, waarin zijn voormalige collega’s zich later weer terug vonden. Dat lijkt me zo gênant.”
“Dat is helaas onvermijdelijk.” Manon lacht. “Jij maakt nou eenmaal deel uit van mijn wereld.”
“Zegt u het maar.” De man achter de bar kijkt hen afwachtend aan. Hij is onverwacht aantrekkelijk.
“Een cappuccino voor mij, en...” Manon kijkt vragend naar Helen. “Wat wil jij?”
“Doe mij maar een thee.” Helen kijkt haar afwezig aan. “Wat bedoel je nou eigenlijk precies met identiteit?”
“Ja, leg dat maar eens uit.” De man draait zich om bij het espressoapparaat.
“Wat mij interesseert is hoe identiteit gevormd wordt.” Begint Manon. "Mijn idee is dat iedereen wordt geboren zonder identiteit.”
“Onzin.” Zegt Helen. “Je zit vol met allerlei erfelijke eigenschappen.”
“Okay, je hebt een aantal genetisch bepaalde eigenschappen die de basis vormen van je existentie,” geeft Manon toe, “maar dat noem ik geen identiteit. Die wordt namelijk gevormd door de wereld om je heen. Door wat je doet en wat je mee maakt.”
“En je wordt beïnvloed door anderen.” Zegt Helen.
“Je identiteit wordt voornamelijk bepaald door anderen,” Manon strijkt met haar vinger langs de waxinelichtjes die op de bar staan, “je familie, vrienden, collega’s en vage voorbijgangers. Ik zie identiteit als uitwaaierende, concentrische cirkels rond een pure harde kern waar je genetische materiaal in zit. In de cirkel direct daaromheen zitten personen en gebeurtenissen de je het meest beïnvloeden, of beïnvloed hebben: de mensen aan wie je het grootste deel van je identiteit hebt ontleend, zoals je directe familie. Vervolgens een schil met mensen en gebeurtenissen die weer iets verder van je af staan. Zo waaiert je identiteit naar buiten uit tot je in een laag komt, waarbij gebeurtenissen zitten die heel ver van je af staan.”
“Poeh hee.” De barman zet de bestelling op de bar en kijkt haar lachend aan. “Dan zit ik nu zeker in je buitenste cirkel?”
“Als je geluk hebt. In ieder geval verder weg dan zij.” Manon knikt naar Helen. “Maar je zit wel in mijn cirkel nu, en door ons contact verandert mijn identiteit toch een klein beetje. Jouw identiteit trouwens ook.”
“Door jou?” Hij kijkt haar ongelovig aan.
“Misschien dat je vanavond thuis komt en dat je het met je vrouw over identiteit hebt.”
“En dan verandert zij zeker ook.” Helen pakt een theezakje uit de zwarte, houten doos die de man haar voorhoudt.
“Ik heb geen vrouw, dus die vlieger gaat niet op.”
“Naarmate ons gesprek langer duurt zul jij mij meer beïnvloeden." Vervolgt Manon. "Dat betekent dat je wellicht een cirkeltje naar binnen opschuift. Het zou ook kunnen dat ik jou zo aardig vind dat ik morgen weer terug kom, dat we samen een kop koffie drinken en nog een goed gesprek hebben.”
“En wie weet meer?” De man likt met zijn tong langs zijn lippen. “Misschien leven we wel heel lang en gelukkig met elkaar?”
“Dat lijkt me nou weer niet erg waarschijnlijk.” Manon pakt haar portemonnee. “Hoeveel krijg je van me?”
“Drie euro tachtig.”
Ze geeft hem vier euro. “Laat die twintig cent maar zitten.”
“Bedankt.” De man maakt een licht spottende buiging. “Daarmee zit jij nu in de ringmuur rond mijn kern.”
“Zullen we daar gaan zitten?” Manon wijst op een tafeltje onder een kunstzinnige lamp midden in de foyer.
“Manon!” sist Helen, als ze van de bar weg lopen. “Je had die man zo kunnen krijgen. Hoe doe je dat toch?”
“Omdat ik hèm niet nodig heb.” Manon gaat zitten. “Misschien doe jij wel te krampachtig met mannen.”
“Volgens mij vallen mannen als bosjes voor die intellectuele kletspraatjes van jou.” Helen kijkt somber naar de artistieke lamp boven hun tafeltje. De gloeilampjes bevinden zich achter halftransparante foto’s van kunstwerken. “Of misschien ben ik ook wel gewoon autistisch.”
“Hoezo ook?”
“Michelangelo was een autist.” Ze wijst naar de beroemde afbeelding van de handen van God en Adam, wiens vingers elkaar elkaar raken.
“Hoe kom je daar nou weer bij?” Zegt Manon verbaasd.
“Ik las het in de krant. Hij kon geen vriendschappen onderhouden.”
“Daarom hoef je toch niet gelijk een autist te zijn?”
“Hij was ook achterdochtig, humeurig en kon slecht communiceren.”
“Misschien ben je dan toch wel een beetje autistisch.” Manon lacht als ze het verbolgen gezicht van Helen ziet. “Kom op, Helen, die beschrijving geldt voor zo’n beetje elke kunstenaar.”
“En hij was dol op geld. Dat ben ik ook.”
“Wie niet?”
“Ze denken dat hij het aspergesyndroom had, dat is een lichte vorm van autisme, en dat zit bij ons wel in de familie.” Helen punnikt aan het rolletje snoep.
"Asperger." Verbetert Manon haar. "Geen asperge."
“Oh ja? Nou ja, ook best." Helen wappert met haar hand. "Een neef van mij heeft het. Op het eerste gezicht merk je helemaal niets aan hem, maar hij heeft wel iets raars. Hij is bijvoorbeeld alleen maar geïnteresseerd in treinen. Elk gesprek dat je met hem voert eindigt vroeg of laat met treinen. En daar kan hij maar over blijven doorleuteren. Hij is verder best intelligent, hij heeft zelfs universiteit gedaan. Eenzijdige interesse schijnt een van de kenmerken te zijn.”
“Dat was dan bij Michelangelo waarschijnlijk kunst maken.”
“En bij mij zijn dat mannen.” Helen staart naar de lamp. “Michelangelo zou zich trouwens in zijn graf omdraaien als hij wist dat hij naast zo’n kitscherig landschap hing.”
Manon volgt haar blik: “Bob Ross?”
“Zou kunnen.” Helen bestudeert de afbeelding. “Wist je trouwens dat hij al lang dood is?”
“Bob Ross? Dood?” Manon kijkt haar onthust aan.
“Al meer dan negen jaar.” Zegt Helen triomfantelijk. "Ik wist het ook niet, maar er stond pas een stukje over hem in de NRC."
“Maar je ziet hem nog steeds op televisie met zijn schilderlessen?”
“Dat zullen dan wel herhalingen zijn, hè.”
“Zoals die man al schilderend over een boom kon praten...” Manon schudt haar hoofd. “Ongeëvenaard.”
“En over de eekhoornfamilie die daarin woont,” vult Helen aan, “met Van Dijckbruine staarten.”
“En door elkaar buitelende, elkaar plagende wolkjes in phtaloblauwe luchten.” Manon lacht. “Dat is toch pure therapie.”
“Maar het eindigt altijd in een nietszeggend landschapje.”
“Ja, lelijk!” Roept Manon uit. “Maar wel cult, hoor.”
“Nou...” Helen kijkt bedenkelijk. “Er zijn tekenwinkels waar de Bob Ross-schildersspullen alleen maar onder de toonbank verkocht worden. De gevestigde kunstwereld moet hem niet, hoor. Wist je trouwens dat er drieduizend Bob Ross-instructeurs zijn?”
“In Nederland?” Schrikt Manon.
“Nee, wereldwijd. Gelukkig maar, anders zou het wel erg bedreigend worden.”

Gepubliceerd: 01-06-06. Vond plaats op: 01-06-04. Tags:  beeldende kunst ; geluk ; identiteit ; psychische problemen ; theater ;