Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 91: Over macabere lijkzakken en hoogbejaarde sterrenstelsels  »
 
Guus is weer terug van vakantie en geniet samen met Manon van een aarzelend voorjaarszonnetje op het terras van een van de eerste strandtenten. Guus vindt de ober met het Arabische uiterlijk zeer aantrekkelijk maar vertrouwt per definitie geen Arabische types. Hij refereert aan de aanslag die in Madrid hebben plaats gevonden. Manon is er nog steeds niet van overtuigd dat niet de ETA, maar moslimterroristen de aanslagen hebben gepleegd. Guus vertelt dat Mark het druk heeft met de nieuwste onderzoeksgegevens van de Marsrobotjes. Verder (...)

“Schitterend toch!” Manon grijpt Guus bij de arm en wijst naar het witte middaglicht dat wordt weerkaatst door de rumoerige zee die aan hun voeten ligt. Ze lopen tegen de voor de tijd van het jaar ongewoon zachte zuidwestenwind in richting de Pier. Bobbe danst voor hen uit, genietend van het zand en de wind.
“Ik zie het wel, maar ik kan er niet van genieten.” Guus kijkt haar wanhopig aan. “Ik voel me zo ongelukkig.”
“Nog steeds? Ik had gedacht dat het na dat maandje wintersport wel beter zou gaan.”
“Integendeel.” Hij slaakt een diepe zucht. “Het lijkt wel of ik Go elke dag meer ga missen.”
“Maar wat mis je dan precies?” wil Manon weten. “Is het de gezelligheid? Of is het misschien meer een gevoel van eenzaamheid wat je nu voelt?”
“Ik mis haar in alles. Een arm om me heen, haar adem in bed, de warmte die ze uitstraalt.” Guus buigt zijn hoofd. “Ik hou nog zo vreselijk veel van haar.”
“Het is een rouwproces.” Manon pakt met de rode slinger de tennisbal op en gooit hem zo ver mogelijk weg. Bobbe racet er achter aan. “Je moet er doorheen. Het zijn allemaal fases die je nu aan het doormaken bent.”
“Maar het duurt zo lang.” Klaagt Guus. “Waarom kan ik haar niet gewoon vergeten?”
“Jullie zijn pas vier maanden uit elkaar dat is toch helemaal niets voor een relatie van twintig jaar?”
“Ze heeft me een briefje geschreven waarin ze me bedankt voor de mooie jaren die ze met me heeft gehad. Ik werd daar zo somber van. Waarom schrijft ze dat nou? Het waren voor haar blijkbaar helemaal geen mooie jaren, anders was ze niet weg gegaan.”
“Dat is typisch Go.” Manon raapt de bal opnieuw op en gooit hem weg. “Ze bedekt haar werkelijke gevoelens met warme woorden omdat ze jou geen pijn wil doen.”
“Dat ze me nooit pijn heeft willen doen is de hoofdoorzaak van ons probleem. Ze heeft nooit gezegd dat ze niet gelukkig was en ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik het niet gezien heb.”
“Na twintig jaar had jij wel wat signalen moeten oppikken.” Beaamt Manon. “Zelfs wij zagen dat er iets was met Go.”
“Ik heb het waarschijnlijk nooit willen zien.” Geeft Guus toe. “Maar nu wel.”
“Maar nu is het te laat.” Zegt Manon meedogenloos. Ze kijkt naar de enorme bedrijvigheid die op het strand heerst. De boulevard is gevuld met enorme stapels onderdelen, die straks getransformeerd zullen worden tot complete horecagelegenheden. Ze herkent in enkele beschilderde panelen De Kameel. Een strandtent staat al in vol ornaat tegen de boulevard aangeleund. “Zullen we daar een kop koffie drinken?”
Het terrasje zit vol met in dikke jassen gepakte mensen, hun bleke gezichten opgeheven naar de aarzelende voorjaarszon.
“Voor mij een thee.” Zegt Guus tegen de compleet in het zwart geklede jongen die direct met een blocnootje op hen af komt. Hij heeft felle, donkere ogen in een Arabisch gezicht.
“Ik een cappuccino.” Zegt Manon. “Met een glaasje water.”
“Spa blauw of spa rood?” vraagt de jongen.
“Gewoon kraanwater.
“Dat mag ik niet geven van mijn baas.”
“Waarom niet? Dat is toch een hele normale service, water bij de koffie.”
“U kunt wel een spa blauw krijgen.” Herhaalt de jongen.
“Laat dat water dan maar zitten.” Zegt Manon chagrijnig.
“Zoals u wilt.”
“Wat doen ze daar tegenwoordig toch moeilijk over.” Manon schopt humeurig tegen de tafelpoot. “Als ik nou alleen een glaasje water vroeg..., maar ik bestel er koffie bij. Als ik niet zo lekker zat zou ik weggaan.”
“Die Arabische types zijn toch wel erg mooi, vind je niet?” Met een dromerige blik in zijn ogen kijkt Guus de jongen na. “Maar ik vertrouw ze voor geen cent. Dit baantje zou natuurlijk een uitstekende dekmantel kunnen zijn voor terroristische activiteiten.”
“Nou ja! Wat ben jij paranoia! Die jongen werkt hier gewoon.”
“Jij bent al even naïef als de meeste Nederlanders.” Guus kijkt haar geringschattend aan. “We moeten maar eens af van het het idee dat alle buitenlanders aardige, goedwillende mensen zijn die we met vliegtickets moeten verwennen om hun arme, door de aardbeving berooide familieleden te kunnen bezoeken. Waarom zijn we er zo van overtuigd dat onze allochtone medemensen het goed met ons voor hebben? Geloof me, als je vier bommen laat ontploffen waarmee tweehonderd doden en meer dan vijftienhonderd gewonden vallen ben je niet uit op het geluk van je medemens. In Spanje zijn ze daar nu inmiddels achter gekomen.”
“Ze weten nog steeds niet zeker of het moslimextremisten waren.” werpt Manon tegen. “Misschien was het wel de ETA.”
“Ach, kom nou, Manon.” Guus schudt zijn hoofd. “En dat gestolen bestelwagentje dan dat precies in die stad stond van waaruit die treinen naar Madrid vertrokken? Vol met bomontstekingen en een tapeje met koranteksten. Je gelooft toch zeker niet dat dat van de ETA is? Bovendien heeft Al- Qaeda de aanslagen inmiddels opgeëist.”
“Dat zegt toch niks? Ze kunnen zoveel opeisen. Zelfs de experts twijfelen nog omdat de bommen in losse rugzakjes zaten die op afstand tot ontploffing zijn gebracht. Al-Qaeda gebruikt meestal zelfmoordenaars. Bovendien waren de bommen gemaakt van typische ETA-springstof.”
“Maar de werkwijze van de ETA is verder heel anders.” Guus pakt een doekje uit zijn zak en begint zijn bril te poetsen. “Hun acties zijn niet gericht op ongerichte massadoelen. Bovendien kondigen zij hun aanslagen altijd telefonisch aan om mensen te sparen. Daar komt nog bij dat de ETA zich officieel gedistantieerd heeft van de aanslagen. Ze hebben ze zelfs veroordeeld. Nou, dat is nog nooit gebeurd.”
“Wie het ook gedaan heeft, het is afschuwelijk. Die macabere rijen zwarte lijkzakken naast de spoorrails staan op mijn netvlies gegrift.” Manon rilt onwillekeurig.
"Wel slap van die Spanjaarden dat ze nu hun troepen terugtrekken uit Irak." Zegt Guus misprijzend. “Dat was nou precies de bedoeling van die terroristen. Wat moet je met een regering die zich door angst laat leiden?"
“Wat een onzin!” zegt Manon geïrriteerd. “De socialisten hadden al lang voor de aanslagen aangegeven dat ze niet meer mee wilden doen aan de bezetting van Irak. Daar zijn ze heel duidelijk over geweest, en blijkbaar denken de meeste Spanjaarden er ook zo over anders hadden ze nooit zo overtuigend de verkiezingen kunnen winnen."
"Ik hoop dat Nederland zich wat flinker gedraagt.” zegt Guus.
"Ben jij gek. We moeten daar zo snel mogelijk weg. We vormen nu nog maar zo’n klein clubje daar met de Amerikanen dat het risico op vergeldingsaanslagen wel erg groot wordt. En aangezien deze hele oorlog niks met de strijd tegen het terrorisme te maken heeft, vind ik dat we ons wat meer achter de rest van Europa moeten scharen.” "
"Manon." Guus zucht diep. "Je denkt toch niet dat die aanslag in Madrid iets met Spanjes aanwezigheid in Irak te maken heeft? Het enige wat die terroristen willen is chaos, angst en verdeeldheid zaaien om zo de beschaafde, vrije wereld te vernietigen zodat we straks allemaal onder de sharia leven. De aanwezigheid van de troepen in Irak is maar bijzaak. Toen de aanslagen van 11 september plaats vonden was er helemaal niemand in Irak."
“Kijkt u eens.” De knappe jongen met het Arabische uiterlijk zet een cappuccino en een kop thee op het tafeltje. Zijn blik valt op Bobbe die net aan de neus van een enorme bruine Duitse dog aan het snuffelen is. “De kop van dat hondje is bijna net zo groot als de voet van de dog.”
“Dat verschil in grootte schijnen ze zelf niet te merken.”Manon glimlacht vermoeid.
“Zijn ze allebei van jou?” De man bukt zich om de tennisbal op te rapen. Als hij de bal weggooit rennen zowel de dog als Bobbe er achteraan.
“Nee zeg! Die kleine is van mij. Ik moet er niet aan denken hoeveel beweging zo’n grote hond niet moet hebben.”
“En eten.” Zegt de jongen. “Veel eten. Kijk, de dog heeft gewonnen.”
Teleurgesteld springt Bobbe bij Manon op schoot. De dog legt de tennisbal in het zand en buigt zich kwijlend over hen heen. Bobbe hapt naar hem.
“Hij durft wel.” Zegt de arabier bewonderend.
“Ze.” Zegt Guus.
“Sorry?” de jongen trekt vragend een wenkbrauw op.
“Ze. Het is een vrouwtje bedoel ik.” Guus trekt Bobbe van Manon’s schoot. “Eigenlijk een half vrouwtje.”
“Hoe bedoel je?”
“Ze is gesteriliseerd.”
“Nou ja, daarom is het toch niet gelijk een half vrouwtje?” Manon kijkt Guus vals aan. “Ik noem jou toch ook geen half mannetje?”
“Kan ik gelijk afrekenen?” De jongen voelt zich ongemakkelijk bij de wending van het gesprek. “Vier euro twintig.”
“Alsjeblieft!” Guus trekt zijn portemonnee en pakt er een lapje van vijf uit.
“Moest dat nou?” Vraagt hij humeurig als de jongen weg is.
“Wat?” vraagt Manon onschuldig.
“Dat ik een half mannetje ben.”
“Sorry. Hij was te leuk.” Manon legt schuldbewust even haar hand op zijn knie en snijdt een ander onderwerp aan. “Waarom heb je eigenlijk nooit verteld dat jij bij de marine hebt gezeten.”
“Van wie weet je dat?” Er trekt een donkere frons over zijn gezicht.
“Oh, van Go geloof ik.”
“Gaat ze het nou op die toer gooien? Ik had het kunnen weten.”
“Hoezo?” Manon schrikt van de ongewoon felle reactie van Guus.
“Het was geen leuke tijd.” Zegt Guus afgemeten. “Ik wil er liever niet over praten. En ik heb liever ook niet dat jij het er met iemand over hebt.”
“Zoals je wilt.”
Ze zitten zijgend bij elkaar. Manon kijkt naar de uiteinden van de planken van het houten vlonder die scherpe schaduwen op het zand werpen. Iets verderop zijn enorme trucks bezig zand van links naar rechts te verplaatsen, hier wat weg, daar wat bij. De ongelijkmatigheid, veroorzaakt door de winterstormen, wordt glad gestreken in voorbereiding op de zomer.
Guus roert afwezig in zijn thee.
“Ik wist niet....” Begint Manon.
“Laat maar, het geeft niet.”
“Met wie was je nou in Zwitserland?”
“Met Carlos. Mark is ook nog een paar dagen geweest, maar die had weinig tijd.”
“Die heeft het druk, hè?”
“Die robotjes op Mars houden hem aardig bezig.” Guus knikt.
“Het is ook wel erg interessant wat die dingetjes allemaal aan het onderzoeken zijn. Eentje heeft in wat rotsstukken aanwijzingen gevonden dat er meer dan genoeg water op Mars moet zijn geweest om eventueel leven mogelijk te maken. Mark is natuurlijk in alle staten nu.”
“Hebben ze ook al iets gevonden wat op leven duidt?”
“Niks.”
“Nou ja, wie weet komt dat nog. Ze komen steeds verder. Ik las pas dat ze sterrenstelsels hebben kunnen waarnemen die gevormd zijn kort nadat het heelal is ontstaan.”
“Ja, fantastisch, hè?” Guus’ ogen glimmen achter zijn brillenglazen. “Met de Hubble. De Amerikanen willen van dat ding af omdat het onderhoud nogal duur schijnt te zijn, maar misschien mag hij nou nog wel even blijven. Het is toch ongelooflijk dat we nu bijna in staat zijn om onze eigen big bang te fotograferen? Die sterrenstelsels zijn honderden miljoenen jaren oud, en dat is nog jong vergeleken met de leeftijd van het heelal. Dat schijnt zo’n beetje dertien miljard jaar oud te zijn.”
“Daar kan ik me dus echt niks meer bij voorstellen.” Manon kijkt naar Bobbe die uitgestrekt in het zand ligt. “Heeft Mark nou ook iets te maken met die Nederlandse astronaut die volgende maand met de Russen de ruimte ingaat?”
“André Kuipers.” Guus schudt zijn hoofd. “Ik dacht het niet. Maar het is wel een vriend van hem. Ik heb hem vorig jaar ontmoet op Mark’s verjaardag. Net nadat de Columbia verongelukt was. Daar was hij erg van aangeslagen want het was de bedoeling dat dat zijn eerste ruimtevlucht zou worden. Gelukkig voor hem kozen de Amerikanen toen voor een Israëliër.”
“Hopelijk gaat het met deze vlucht niet mis.”
“Vast niet want hij gaat nu met zo’n Russische raket, de Soyuz-capsule. Dat is vergeleken met de spaceshuttle een primitief ding maar wel veel betrouwbaarder, hij zit propvol reservesystemen. Zeventienhonderd vluchten zijn er mee gemaakt waarvan maar een of twee met dodelijke afloop.”
“Wat we ervan weten althans.” Zegt Manon. “De Russen zijn natuurlijk niet de meest betrouwbare informanten. Maar, hoe dan ook het is toch knap. En ze hebben vast ook een veel lager budget dan de NASA.”
“Iets van driehonderd miljoen euro geloof ik en ik meen dat NASA iets van 14 miljard tot zijn beschikking heeft.”
“Dat is wel een heel groot verschil. Misschien moet ik mezelf volgend jaar maar eens introduceren op een van die feestjes.” Manon leegt haar kopje en kijkt op haar horloge. “Ik moet zo weg trouwens. Er ligt nog een flinke stapel werk van de Stichting. Dat moet vandaag nog af want morgen moet ik met mijn moeder naar het ziekenhuis. En ik moet ook nog iets bij Fadona afgeven.”
“Is dat die prachtige donkere vrouw waar je vorige maand mee op die tentoonstelling was?”
Manon staat op. “Wat vond je van haar?”
“Wel leuk.” Guus aarzelt even. “Maar ze is Marokkaans, hè?”
“Hoezo?”
“Laat maar.” Guus wuift met zijn hand. “Ik ben trouwens toch nog absoluut niet aan een nieuwe relatie toe.”

Gepubliceerd: 17-03-06. Vond plaats op: 17-03-04. Tags:  astronomie ; Egypte ; ruimtevaart ; transportongelukken ; welvaart ;