Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 90: Over hemelse zwavelregens en Belgische gruwelkelders  »
 
Fien komt langs met twee grote blikken bussen die bij Carla herinneringen aan vroeger oproepen. Carla vertelt dat ze binnenkort naar een dokter in het Ivoka-ziekenhuis gaat omdat ze haar in de Daniël den Hoed kliniek niet wilden hebben. Ze praten over het proces van Dutroux dat begonnen is. Fien begrijpt niet dat iemand in de jury wil zitten, zij zou Gert sturen als zij werd opgeroepen want dan heeft hij wat te doen. Ze is het huis uitgevlucht omdat Gert voortdurend om haar heen hangt sinds hij met pensioen is. Fien vertelt dat ze een hekel (...)

“Hemeltjelief.” Fien zet met een klap twee butsige blikken bussen op de bar en kijkt vol ontzag naar de eetkamer die vol puzzelstukjes ligt. “Hoeveel stukjes zijn dat wel niet?”
“Vierduizend.” Carla lacht zuurzoet. “Die puzzel heb ik jaren geleden eens van Manon en Felix gekregen.”
“Als we ons hadden gerealiseerd dat het zoveel stukjes waren hadden we hem niet gegeven, hoor.” Zegt Manon verontschuldigend.
“Ik heb hem al een paar keer in mijn handen gehad.” Zegt Carla. “Eerst met het cellofaan erom, toen met het cellofaan er vanaf. En daarna nog een paar keer, maar ik heb hem altijd weer terug gelegd. Maar nu moet het maar eens. Je wil niet weten wat voor werk het was om alles om te draaien.”
“Dat wens je je ergste vijand niet toe.” Fien kijkt Manon licht beschuldigend aan.
“Wat zijn dat voor blikken, Fien?” Carla loopt nieuwsgierig naar de bar.
“Die vond ik op een rommelmarkt en ik dacht: dat is echt wat voor Carla.”
“Wat aardig.” Carla draait aarzelend een van de blikken rond. “Mijn tante Marie had hier vroeger stapels van op zolder staan. Ze zat in de koffie en thee. En in de blueband. Mijn nichtje moest er mee langs de deuren om het te verkopen.”
“Kinderarbeid.” Zegt Manon misprijzend.
“Zo was dat toen.” Carla haalt haar schouders op. “Tante Marie was weduwe met een stel kinderen, en je had toen nog geen weduwepensioen.”
“Vind je ze leuk?” Vraagt Fien.
“Leuk wel...” Carla aarzelt. “Maar als ik heel eerlijk moet zijn zou ik nu niet weten wat ik er mee moet.”
“Dan neem ik ze wel weer mee.”
“Dat vind je toch niet erg, Fien? Ik ben juist een beetje aan het opruimen.”
“Nee, hoor, er is vast wel iemand die er wèl belangstelling voor heeft.” Fien probeert om haar stem luchtig te laten klinken, maar Manon bespeurt een lichte teleurstelling.
“Mijn nichtje en ik hebben wat gespeeld tussen die blikken.” Mijmert Carla verder. “Het was zo’n lief kind. Zij was het die me min of meer seksueel heeft voorgelicht.”
“Tussen die blikken?” Manon kijkt schalks naar de gebutste dozen.
“Ben je gek. Op een hele keurige, christelijke manier, hoor. Ze vertelde bijvoorbeeld dat als er een speciale glans in de ogen van de man kwam, dat er dan meer van je werd verwacht.” Carla giechelt. “Wat precies dat moest je zelf maar uitzoeken, maar in dat soort termen moet je denken.”
“Ik herinner me dat wel.” Fien knikt.
“Waarom heeft oma jou niet voorgelicht?”
“Oma!” Carla lacht smalend. “Die praatte toch nooit ergens over. Althans niet over serieuze dingen, wel keuvelen natuurlijk. Ik herinner me nog goed dat ik op tienerleeftijd geelzucht kreeg. Omdat ik verschrikkelijk misselijk was dacht oma natuurlijk dat ik zwanger was, maar je denkt toch niet dat ze dat durfde te vragen? Daar heeft ze ook dat nichtje voor gestuurd.”
“Dan was ze zeker wel opgelucht dat je geelzucht had?”
“In eerste instantie wel, geloof ik.” Carla knikt. “Maar het was geen leuke tijd. Goh, wat was ik misselijk toen. Misschien ben ik daarom wel zo bang voor die chemo.”
“Heb je nog nieuws van de Daniël den Hoed?”
“Gisteren kreeg ik een telefoontje van de dokter.” Er trekt een schaduw over Carla’s gezicht. “Die heeft eindelijk een afspraak weten te maken, maar niet in Den Hoed. Het was daar erg druk en aangezien ik volgens hen geen speciaal geval ben, werd ik geweigerd.”
“Werd je geweigerd?” Fien kijk haar onthutst aan. “Dat is bot”.
“Ik heb nu een afspraak met een oncoloog in het Ivoka.”
“Wel jammer, Den Hoed is natuurlijk hèt ziekenhuis voor kankerpatiënten.”
“Ik weet het, Fien, maar weet je...” Carla kijkt haar strijdlustig aan. “Volgens mijn dokter was ik voor de chemo, die ik waarschijnlijk ga krijgen, in het Ivoka beter af dan in Den Hoed. Het is allemaal wat kleinschaliger en vriendelijker. En die oncoloog schijnt toch nauw met Daniël den Hoed samen te werken.”
“Ik vraag me af of je ook geweigerd zou zijn als je een stuk jonger was geweest. Ze hebben waarschijnlijk een soort checklist. En jij valt net buiten de prijzen.”
“En dat vind ik eigenlijk helemaal niet erg. Als ze mij nemen, vist een vrouwtje met drie kleine kinderen misschien net naast de boot.” Carla staat op. “Wil je trouwens koffie, Fien?”
“Lekker.” Fien pakt De Telegraaf van de stoel naast Manon en gaat zitten. Het drukke, herfstachtige dessin van haar colbertje herinnert Manon aan de bruinrode zwammen op een bijna vergane boomstronk die ze onlangs gefotgrafeerd heeft.
“Wat die vent gedaan heeft...” Fien tikt driftig op een foto op de voorpagina van de krant waarop een man te zien is die een envelop voor zijn gezicht houdt. “Ik hoop dat ze hem goed te grazen nemen. Het zal je dochter maar zijn die door die vent gepakt is. Ik moet er niet aan denken.”
“Is dat Dutroux?” Manon buigt zich voorover om de foto te bekijken.
“De klootzak. Vier meisjes verkracht en vermoord in zijn gruwelkelder. Het is nog een godswonder dat er twee zijn ontsnapt.”
“Ik weet niet of die nou wel zo goed af zijn.” Carla zet een kop koffie voor Fien neer en komt bij hen zitten. “Die littekens draag je wel je hele leven met je mee. Weet jij nou of er ook nog anderen bij betrokken waren?”
“Hij zegt dat hij in opdracht heeft gehandeld van een soort maffia, maar volgens mij zegt hij dat alleen maar om een lichtere straf te krijgen.” Fien schudt haar hoofd. “Je zal toch maar advocaat zijn van zo iemand. Ja toch? Ik geloof niet dat ik zo’n man zou willen verdedigen.”
“Het schijnt ook een heel gedoe te zijn om een jury samen te stellen, want niemand wil eigenlijk. In België hebben ze een burgerjury, zoals in Amerika. Iedereen probeert er onder uit te komen.”
“Ik zou ook niet willen als ik opgeroepen werd. Ik zou Gert laten gaan. Heeft-ie tenminste wat te doen. Ik word af en toe helemaal gek van die man.” Fien trekt een gepijnigd gezicht. “Hij hangt maar thuis rond en hij bemoeit zich overal mee. Ik ben gewoon gevlucht. Gisteren zei hij dat ik saai was.” Haar stem klinkt opgewonden. “Vind jij mij saai?”
“Jij, saai?” Carla schudt verbaasd haar hoofd. “Nee, absoluut niet. Hoe komt hij daar nou bij?”
“Ik weet het ook niet.” Fien zucht. “Hij vindt dat ik zoveel tijd besteed aan de kerk en aan het huishouden. Ik denk dat hij meer aandacht wil.”
“Hij mag in zijn handjes knijpen dat hij zo goed verzorgd wordt.”
“Ja, toch?” zegt Fien onzeker. “En ik wil het graag zo goed mogelijk doen. Ik doe trouwens niks anders dan ik vroeger deed, maar toen viel het hem natuurlijk niet op omdat hij er nooit was.”
“Als hij je wat meer zou helpen zouden jullie wat meer tijd hebben om samen dingen te doen.”
“Maar dat wil hij niet.”
“Ik denk dat het voor Gert best moeilijk is om ineens thuis te zitten.” Zegt Carla. “Hij was de baas op zijn werk en jij was thuis de baas. Nu ben jij de enige die je baantje nog hebt en hij moet een nieuwe rol voor zichzelf zien te vinden. Dat is waarschijnlijk niet zo makkelijk. Hij weet niet hoe hij daar mee moet omgaan en projecteert dat gevoel van onvrede op jou.”
“Dat kan allemaal wel wezen, maar daarom hoeft hij nog niet te zeggen dat ik saai ben.”
“Je bent juist gezellig en altijd opgewekt.” Carla knipoogt naar Manon.
“Als hij met me getrouwd wil blijven zal hij toch met deze veranderingen moeten leren leven. ”
“For better and for worse.” Carla glimlacht. “Heb je trouwens gehoord dat Johan van Lier getrouwd is?”
“Johan van Lier? Getrouwd?” Fien slaat met haar vlakke hand op tafel. “We waren toch allemaal bang dat die homo was.”
“Hoezo bang?” Manon fronst haar wenkbrauwen. “Je hebt toch geen last van homofobie?”
“Ik hou niet van homo’s.” zegt Fien onwillig. “Het is onnatuurlijk.”
“Waarom?”
“Het is sodomie en in de bijbel staat dat dat niet goed is.”
“Waar staat dat dan?” Manon staat op en pakt de bijbel van de plank.
“Leviticus, ik dacht 18, maar geef mij hem maar even, ik heb het zo gevonden.” Fien pakt de bijbel uit Manon’s handen en begint te bladeren. “Hier: Leviticus 18, vers 22. Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
“Toe maar!” Manon is ontzet. “En dat is onze christelijke bijbel?”
“Ja!” Fien bladert door. “En hier bij Corinthe: Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.
“Schandelijk.” Manon is verbijsterd.
“Dat zal wel maar de bijbel is er heel duidelijk over. Het is de misdaad van het volk van Lot. Je kent toch wel het verhaal van Sodom en Gomorra, uit het Oude Testament? God vernietigde die steden om de mens voor z’n slechtheid te straffen.”
“Dat geloof je toch zeker zelf niet.” Manon is geamuseerd maar voelt ook een licht irritatie opkomen.
“Volgens de bijbel zijn de mensen van Sodom door en door slecht.”
“En wat heeft dat met homo’s te maken?”
“Dat waren die mensen die in Sodom woonden, sodomieten. Hun zonden waren zo groot dat God heeft besloten hen te vernietigen. Behalve Lot want die is niet slecht, die mag vluchten met z’n gezin
als hij maar niet omkijkt. Jammer alleen dat zijn vrouw dat toch doet en in een zoutpilaar verandert.”
“Je gelooft toch niet dat dat echt gebeurd is?”
“Ik wel.”
“Dat verhaal is gebaseerd op volksverhalen en overleveringen en is duizenden jaren later opgeschreven. Er zijn zoveel zoutpilaren daar. De Dode Zee is één groot zoutvat.”
“Maar van Sodom en Gomorra is niets meer terug gevonden.” Werpt Fien tegen.
“Dat is waarschijnlijk gewoon door een aardbeving verwoest, die komen daar heel veel voor.”
“Er staat niets over een aardbeving in de bijbel.” Fien’s gestifte mond is een dikke oranje streep. “Er staat dat God vuur en zwavel uit de hemel liet regenen, en dat de rook van de aarde opsteeg als de rook van een smeltoven.”
“Nou, dat kan dan toch heel goed een aardbeving geweest zijn?”
“Dan hadden er toch nog ruïnes moeten staan of zo? Nee, God heeft deze zondige plaatsen in één nacht met de grond gelijk gemaakt. En daar had hij zijn redenen voor. Maar de engelen hebben Lot gewaarschuwd: vlucht naar het gebergte, opdat gij niet wordt meegesleurd.
“Ik wist niet dat jij zo bijbelvast was, Fien?” Carla volgt het gesprek geamuseerd.
“Dat er geen ruïnes zijn, komt dat de steden dicht bij de oevers op een slappe ondergrond gebouwd waren.” Manon geeft het niet op. “Het hele zaakje is gewoon in de zee verdwenen.”
“Laten we er maar over op houden.” Carla kijkt Manon waarschuwend aan. “Ik geloof niet dat God homo’s als slechte mensen ziet, Fien. Maar wat ik niet begrijp is waarom ze nu allemaal persé willen trouwen?”
“En graag ook. Het schijnt dat ze in Californië in lange rijen voor het stadhuis staan.” Fien snuift boosaardig. “Voor zo lang het duurt. Bush zal daar wel gauw een stokje voor steken. Hij wil het homohuwelijk grondwettelijk gaan verbieden.”
“Voorlopig heeft het hooggerechtshof in Californië geweigerd om zich neer te leggen bij zo’n verbod.” Zegt Manon. “Terecht ook. Wat maakt het nu uit of een man van een man houdt en een vrouw van een vrouw? Misschien worden dat wel veel gelukkiger huwelijken. Voorlopig mislukt de helft van alle traditionele huwelijken in Amerika. Bush gaat zelfs anderhalf miljard dollar uittrekken om zijn onderdanen huwelijkskunde bij te brengen.”
“Dat meen je niet!” Carla kijkt haar met open mond aan aan.
“Echt waar.” Manon steekt twee vingers op. “Maar volgens mij is deze homojacht gewoon een verkiezingsstunt om de christelijke conservatieven naar de stembussen te jagen.”
“Cheney zal het er wel moeilijk mee hebben.” Denkt Carla. “Zijn dochter is toch lesbisch?”
“Cheney kiest niet voor zijn gezin, maar voor Bush.” Zegt Manon cynisch. “En die dochter, Mary heet ze geloof ik, heeft al haar mede-homoseksuelen verraden door campagne te voeren voor haar vader.”
“Misschien is ze tot inkeer gekomen.” Fien legt twee blauwe kantstukjes aan elkaar. “Misschien heeft God haar laten zien dat een lesbische relatie zondig is en dat het huwelijk iets is tussen man en vrouw.”
“Waarom zou het huwelijk voorbehouden zijn aan man en vrouw? Het is toch sowieso een verzinsel van de mens om economische en juridische aspecten te regelen. Homo’s willen gewoon dezelfde rechten: trouwen, kinderen, ....”
“Kinderen hebben een vader en een moeder nodig.” Zegt Fien koppig. Ineens trekt er een glans over haar gezicht. “Over kinderen gesproken... Kees en Ilona zijn in verwachting.”
“Gefeliciteerd!” Carla krijgt er een kleur van, ze weet hoe zeer Fien naar een kleinkind verlangt. “Dat is nog eens fijn nieuws. Wanneer komt het?”
“Half November.”

Gepubliceerd: 11-03-06. Vond plaats op: 11-03-04. Tags:  christendom ; kanker ; liefde en relatie ; misdaad en corruptie ; seksualiteit ;