Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 89: Over spirituele uittredingen en dokterspelende kwakzalvers  »
 
Manon, Evelyn en Matthijs zijn bij Carla en Albert na het slechte nieuws. Ze praten over Carla’s tumor en de eventuele behandelingen. Carla is bang voor chemotherapie en zegt dat er altijd nog alternatieve behandelingen zijn. Evelyn en Matthijs hebben daar geen hoge pet van op en halen het geval Sylvia Millecam aan, die misschien nog geleefd zou hebben als ze via het reguliere circuit zou zijn behandeld. Als ze in de duinen gaan wandelen vertelt Carla over haar bijna-dood ervaring waar volgens Matthijs tegenwoordig een uitstekende (...)

“Mama, kom hier.” Evelyn dumpt Joost in zijn autostoeltje op het aanrecht en omhelst haar moeder.
Even staan ze stil tegen elkaar aan, dan maakt Carla zich voorzichtig los en buigt zich over het kleine jongetje dat haar heel serieus aankijkt alsof hij voelt wat er gaande is. Ze strijkt met haar wijsvinger over zijn wang en zijn linkermondhoek trekt iets omhoog. “Oh, kijk eens, jongens.” Haar bleke gezicht breekt open in een brede lach “Hij lacht, dat is echt voor het eerst, hoor.”
“Speciaal voor jou, ma.” Matthijs komt binnenstommelen met twee grote tassen. “Ik heb maar een dagje ijsvrij genomen.” Hij geeft haar een zoen. “En ik wilde je ook wel even zien.”
“Zal ik dan maar koffie maken?” Evelyn loopt naar het koffiezetapparaat.
“Ik ben niet gelijk een patiënt, hoor.” Carla duwt haar weg en pakt de filterhouder. “Gaan jullie dat arme kind eerst eens uitpakken.”
Terwijl Carla met het maatschepje de koffie nauwkeurig afmeet kijkt Manon door het keukenraam naar de witte kristallen lijnen die de grillige takken van de appelbomen accentueren. Het vogelhuisje heeft een wit dakje en er hangt een koolmees aan het pindasnoer. Het voelt of de witte stilte buiten zich als een wasem in haar hoofd genesteld heeft en de wereld voor haar filtert in een gezeefde werkelijkheid. Carla komt naast haar staan kijkt door het keukenraam naar buiten.
“Kijk hem nou toch.” Ze wijst naar Bobbe die zich met groot enthousiasme door het dikke pak sneeuw heen worstelt. Ze springt, rolt op haar rug en neemt af en toe een hap. “Dat moet toch raar zijn voor zo’n beestje. In een keer is de wereld heel anders. Zo voel ik het eigenlijk ook. Ik ben door een deur gegaan naar een andere wereld, terwijl er eigenlijk niks is veranderd sinds gisteren. Maar toch voelt het heel anders. En ik kan niet terug door die deur.”
“Er is niets veranderd.” Manon drukt zich even tegen haar moeder aan. “Je weet alleen meer.”
“Gaan ze weer opereren?” Evelyn komt bij hen staan.
“Volgens de dokter is dat geen optie.” Carla schudt haar hoofd. “Als de tumor alleen in de lever had gezeten had het wel gekund, hoewel dat ook geen makkelijke operatie schijnt te zijn.”
“Een leveroperatie is heel zwaar en als er uitzaaiingen zijn heeft dat inderdaad weinig zin.” Matthijs komt ook weer de keuken binnen lopen met Joost op zijn arm. “Bovendien is het vaak zo dat als je gaat opereren de celdeling harder gaat omdat je lichaam dan verzwakt.”
“Maar wat dan?”
“Chemotherapie, denk ik.” Carla schenkt de koffie in de mokken. “Maar dat moet de dokter maar uitzoeken. Hij is al bezig voor een afspraak in Den Hoed.”
“Dat is wel dè plek.” Matthijs knikt goedkeurend.
“Het schijnt dat ze weer een nieuwe chemo hebben, die aardig levensrekkend is.” Zegt Carla
“Levensrekkend?” Evelyn kijkt haar geschrokken aan.
“Eefje, we moeten reëel blijven.” Carla klopt geruststellend op Evelyn’s arm. “Ik wist dat dit zou gebeuren. Het was niet de vraag òf het terug zou komen, maar wanneer het terug zou komen. Ik had alleen gehoopt dat het nog wat langer zou wegblijven.”
“Dat heb je ons nooit verteld.”
“Jullie hoeven niet alles te weten.” Carla zet de mokken op het dienblad en loopt langs hen heen naar de eettafel. “Het klinkt misschien gek, maar het geeft eigenlijk een soort rust nu ik het weet. Die ondraaglijke spanning elke keer was ook vreselijk. Het enige waar ik bang voor ben is de misselijkheid van de chemo. Misselijk zijn vind ik zoiets ergs. Ik heb als kind geelzucht gehad en toen was ik ook zo misselijk. brrrr.” ze rilt.
“Daar hebben ze tegenwoordig hele goede middelen tegen.” Matthijs legt Joost voorzichtig weer in zijn autostoeltje. “Bovendien heb je zoveel verschillende soorten chemo, in allerlei samenstellingen en ieder mens is ook weer anders. Je hebt mensen die hebben er amper last van en mensen die er alleen maar heel moe van worden.”
“Ja, dat is ook zo.” Carla bijt op haar lip. “Eerst maar eens afwachten. En als het helemaal niet gaat zijn er altijd nog alternatieve behandelingen.”
“Als je dat maar uit je hoofd laat.” Zegt Evelyn fel. “Je ziet hoe het met Sylvia Millecam gegaan is. Die kwakzalvers hebben haar met hun valse diagnoses de dood in gejaagd.”
“Dat vind ik wel een beetje kort door de bocht, Eef.”
“Vindt jij dan niet dat die alternatieve genezers haar hebben misleid?”
“Misleid....” Carla aarzelt even. “Zij dacht er gewoon anders over.”
“Als duidelijk uit een echo èn een mammografie blijkt dat iemand borstkanker heeft, moet je haar niet gaan vertellen dat ze een bacteriële infectie heeft.” Met een vinnig gebaar duwt Evelyn een speentje in de mond van haar zoontje.
“Ik denk dat ik ook liever had gehoord dat ik een infectie had. Alles beter dan kanker natuurlijk.”
“En dat is precies de reden dat zo’n beetje een vijfde van alle kankerpatiënten in het alternatieve circuit belandt.” Matthijs zucht. “Ze zijn door hun onzekerheid en angst voor de chemotherapie en de bestralingen erg kwetsbaar en ontvankelijk voor die zogenaamde dokters die het vuur van hun angst alleen maar aanwakkeren.”
“Kunnen ze daar nou niks tegen doen?” Vraagt Evelyn.
“Dat is niet zo makkelijk.” Zegt Matthijs. “Een jaar of zes geleden zijn de regels voor alternatieve genezers versoepeld. Pas als er een klacht binnenkomt kan de Inspectie van de Gezondheidszorg er iets tegen doen. Maar ze willen nu de regels weer gaan aanscherpen, ik denk mede dankzij dat rapport over Millecam. Het is natuurlijk ook heel raar dat iedereen zomaar een medische diagnose mag stellen.”
“Is dat zo?” Carla kijkt hem ongelovig aan. “Ik dacht dat dat alleen voor geregistreerde artsen was.”
“Zo zou het moeten zijn.” Matthijs knikt. “Wìj hebben tijdens onze studie geleerd hoe je een diagnose moet stellen. En geloof me, het is niet iets wat je jezelf zomaar op een zaterdagmiddag kan aanleren, het vergt heel veel oefening en studie.”
“Maar er zijn ook gediplomeerde artsen die alternatieve behandelingen aanbieden.” Zegt Carla. “Een van die behandelaars van Sylvia was zelfs een internist.”
“Dat zijn de ergste.” Matthijs fronst zijn wenkbrauwen. “Knoeiers die in het reguliere circuit niet aan de bak kunnen komen en hun titel of diploma gebruiken, of liever gezegd misbruiken, om mensen met hun alternatieve behandelmethoden flink wat geld uit de zak te kloppen.”
“Dat vind ik wel erg negatief gesteld.” Carla kijkt hem licht ontstemd aan. “Ik denk dat de meeste alternatieve genezers hun behandelingen heus wel met de beste intenties doen en meestal kan het toch ook geen kwaad.”
“Als aanvullende behandeling vaak niet.” Zegt Matthijs. “Maar het heeft zo weinig zin. De mensen krijgen kuren en volgen diëten die honderden euro’s kosten en er wordt alleen maar valse hoop gewekt.”
“Als patiënt weet je dat niet op dat moment,” zegt Carla ernstig, “en hoop is hoop.”
“Maar ze moeten wel open kaart spelen en je niet van de reguliere geneeskunde weg houden.” Vindt Manon. “Je mag mensen niet onnodig pijn laten lijden en je mag hen zeker de kans op genezing niet onthouden, zoals bij Sylvia Millecam. Dat vind ik misdadig.”
“Het enige dat wij kunnen doen is in ieder geval met onze patiënten erover praten.” Zegt Matthijs. “Veel collega’s doen heel denigrerend als mensen over alternatieve behandelingen beginnen. Ze lachen erom en realiseren zich niet dat dat de mensen alleen maar weg jaagt en dan ben je verder van huis. Wij moeten hen serieus nemen en hen niet alleen wijzen op de gevaren maar ook op de mogelijkheden van alternatieve geneeswijzen, want in sommige gevallen kunnen patiënten er, met name psychologisch, best baat bij hebben.”

“Het is redelijk goed te verklaren.” Zegt Mathhijs. “Maar niet helemaal. Ze noemen zo’n ervaring een out-of body-experience. Zo’n tien tot twintig procent van de bevolking maakt het in zijn leven mee.”
“Wat veel.” Zegt Carla teleurgesteld. “Ik dacht dat ik heel bijzonder was.”
“Dat ben je ook.” Manon legt haar hand op de ijskoude hand van haar moeder.
Ze zitten op een houten bankje aan de oever van een vennetje.
“Het is een ervaring waarbij het lijkt of iemand de wereld van buiten zijn eigen lichaam bekijkt.” Gaat Matthijs verder.
“Precies.” Roept Carla. “Ik zweefde boven mijn bed en zag mezelf liggen. Het voelde of mijn geest mijn lichaam had verlaten. Het was eigenlijk heel mooi en ik werd er erg rustig van.”
“Dan zou je moeten geloven dat de ziel los van het lichaam kan bestaan.” Zegt Matthijs. Hij trekt de capuchon van Joost wat naar voren om hem te beschermen tegen het scherpe voorjaarszonnetje. “En dat geloof ik niet.”
“Maar ik wel. Ik geloof dat mijn lichaam niks anders is dan een omhulsel voor mijn ziel. Ik geloof ook dat mijn ziel thuis hoort in de hemel, waar mijn lichaam overigens niets te zoeken heeft.”
“Dat zou ik ook graag willen geloven.” Zegt Matthijs. “Het lijkt me geweldig. Maar ik ben bang dat er voor zo’n uittredingservaring een goede wetenschappelijke verklaring is. Zwitserse wetenschappers hebben pas ontdekt dat een verstoring in een klein gebiedje in de hersenen vermoedelijk verantwoordelijk voor uittredingsverschijnselen is. Er onstaat een soort kortsluiting, of miscommunicatie, waardoor de hersenen niets anders kunnen concluderen dan dat het lichaam zich ergens anders moet bevinden.”
“Jammer.” Zegt Carla ontgoocheld. “Ze ontdekken veel te veel. Een beetje mystiek maakt het leven juist zo leuk.”
“Dat hersenonderzoek is wel interessant.” Zegt Manon. “Hoe zijn ze hier nou achter gekomen?”
“In een Nature van vorig jaar schreven Zwitserse onderzoekers over een vrouw met epilepsie die acuut een uittreding kreeg en zichzelf tijdens een behandeling op bed zag liggen. Dat was na een elektrische prikkeling van een bepaald stukje van haar hersenen. Bij een lichte prikkeling beschreef ze het gevoel te hebben van een hoogte te vallen of in het bed weg te zinken. Een iets sterker stroompje veroorzaakte het gevoel boven het bed te zweven en zag ze zichzelf dus in bed liggen.”
“Wanneer kan zo’n out-of-body-experience voorkomen?”
“Als je er gevoelig voor bent overal. Wandelend, fietsend, op het strand liggend... Meestal tijdens een vorm van ontspanning trouwens. Of als je in bed ligt en heel ziek bent.”
“Zoals bij mij.” Zegt Carla. “Het leek zo echt. Ik zag die dokters naast mijn bed staan praten met elkaar en naar mijn lichaam kijken terwijl ik er boven zweefde.”
“Dan was bij jou ook het model van de werkelijkheid verstoord. Je hersenen probeerden waarschijnlijk een nieuw model te maken. Daarvoor gebruiken ze herinneringen en fantasie en bouwen dat om tot een beeld vanaf een afstand.”
“Matthijs!” Evelyn wenkt hem vanaf de overkant. “Kom eens, ik wil je iets laten zien.”
Matthijs staat op en wil de wagen van de rem afhalen.
“Laat hem maar hier.” Zegt Carla. “Dat is geen doen daar in die bosjes met die wagen.”
“Letten jullie goed op hem?” Na nog een laatste bezorgde blik in de wagen te hebben geworpen loopt hij weg.
“Ik vind het allemaal maar ver gezocht wat hij zegt.” Carla schopt wat sneeuw op voor Bobbe, die dankbaar opspringt. “Al die klinische praatjes. Het kan toch net zo goed mijn ziel zijn geweest die zich losmaakte van mijn lichaam? Ik liep in een bos met bomen waar het zonlicht amper doorheen kon komen. De grond liep schuin omhoog en bovenaan scheen een oranjekleurig licht, heel mooi. Ik liep en ik liep, maar ik kwam er nooit. Ik herinner me nog dat ik dat best jammer vond.”
“Dat was jouw hemel waarschijnlijk. Toen waren we je bijna kwijt.” Manon kijkt naar haar vader en Evelyn, die aan de overkant van het vennetje staan te wachten op Matthijs. “Was papa niet vreselijk geschrokken?”
“Die hadden ze helemaal niet gebeld. Gek, hè? Ik had een interne bloeding gekregen en de toestand was zo kritiek dat de chirurg de hele nacht aan mijn bed heeft gezeten.”
“Dus papa kwam gelijk de volgende ochtend?”
“Nee, pas met het bezoekuur. Toen was ik gelukkig weer terug in het Rijk der Levenden. Die schrok zich rot natuurlijk.”
“Wat een rare toestand eigenlijk.” Manon schudt haar hoofd. “Ik herinner me daar niets meer van.”
“Ik denk dat papa er toen ook niet veel over tegen jullie gezegd heeft.” Carla schudt haar hoofd. “Verder weet ik er ook niet zoveel meer van, hoor. Maar ik herinner me nog wel heel goed dat de dag daarop tante Carmela op bezoek kwam en dat die me uitfoeterde dat ik helemaal gek was dat ik op die leeftijd nog een kind moest krijgen.”
“Dat meen je niet!”
“Jawel.”
“Maar je was toch nog niet zo oud?”
“Vijfendertig.”
“Dat is toch niet zo oud om een kind te krijgen?” Zegt Manon verontwaardigd.
“Toen nog wel. Maar voor geen enkel kind heb ik zo bewust gekozen als voor Eef. Goh, wat was ik blij met haar, ondanks alle narigheid.”
“Eef was een fijne baby.” Manon kijkt naar de prille rietstengels, die het blauwwit gewolkte water goudgeel arceren. “Soms denk ik wel eens dat ik daarom geen zin in kinderen heb. Omdat ik het gevoel heb dat ik dat hele babygedoe allemaal al eens meegemaakt heb.”
“Ja, jij was dertien. En jij en Kim moesten ons opvangen toen we thuis kwamen uit het ziekenhuis. Eef wassen, verschonen, aankleden en oppassen.”
“Soms heb ik ook wel eens het gevoel dat zij een beetje een dochter van me is.” Manon pakt het koude handje van Joost vast. “Maar gelukkig heb ik bij hem geen omagevoelens.”

8-4-2006 Artsen van Millecam gestraft
AMSTERDAM - De alternatieve arts C.B. uit Haarzuilens mag nooit meer als zodanig optreden, twee van zijn collega’s worden tijdelijk uit het vak geweerd. Het regionaal Medisch Tuchtcollege in Amsterdam straft ze daarmee voor de falende behandeling van actrice Sylvia Millecam. (Volkskrant)

Gepubliceerd: 27-02-06. Vond plaats op: 27-02-04. Tags:  alternatieve geneeswijzen ; kanker ;