Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 60: Over gegijzelde motormuizen en barmhartige babyluikjes  »
 
Manon is met Evelyn op het strand en ze genieten van een mooie zonsondergang. Manon heeft gehoord dat er met de storm van het afgelopen weekend 45 mensen uit zee zijn gered. Evelyn vraagt zich af wie dat betaalt. Volgens Manon is het gratis en Evelyn is van mening dat Arjen Hilbers dan ook zijn eigen redding maar moet betalen. Als Evelyn haar een echo zien van het groeiende kindje in haar buik merkt Manon op dat, als het moederschap tegenvalt, ze de baby altijd nog bij het babyluikje in Antwerpen kan (...)

“Gezellig dat je er weer eens bent, Eef.” Manon ziet zichzelf weerspiegeld in de donkere zonnebril van haar zusje. Bobbe zit op schoot bij Evelyn en leunt tegen haar ronde buik.
“Ben je zo braaf?” Evelyn aait het hondje over haar kopje. Vrijwel direct schiet Bobbe overeind en kust haar vol op de mond. “Gatsie!” Evelyn veegt met de rug van haar hand langs haar mond. “Die had ik niet zien aankomen.”
“Kijk maar uit, Bobbe kan gevaarlijk klef zijn.”
“Ik was het even vergeten.” Evelyn duwt het hondje voorzichtig terug en kijkt haar zus onderzoekend aan. “Je ziet er pips uit, is er iets?”
“Ik heb vanmiddag gehoord dat de oude man is overleden.”
“Hè?” Evelyn schrikt. “Dat is dan ook snel gegaan.”
“Hij werd steeds slechter.” Manon kijkt naar de zon die in een karmozijnrode gloed vlak boven de horizon staat. “Vier dagen geleden heb ik afscheid van hem genomen. Hij leek zo broos en breekbaar in dat steriele ziekenhuisbed. Het is heel raar, maar je kon zien dat de dood toen al als een schaduw over hem heen lag. We hebben het er zelfs nog over gehad. Hij zei, en dan moet ik even heel diep nadenken...” Manon legt haar hand tegen haar voorhoofd en kijkt naar de grond. “Oh ja. Hij zei dat hij niet bang was voor zijn sprong in het oneindige, maar dat hij er alleen niet zeker van was of zijn gedaanteverwisseling van materie tot ziel een verontrustende uitwerking zou hebben op zijn geliefden. Die wilde hij elke vorm van verdere overlast besparen.” Ze pakt een zakdoekje uit haar tas en veegt over haar ogen. “Hij heeft ook gewacht met doodgaan tot ze hem even alleen gelaten hadden. Echt iets voor hem. Zijn enige zorg was dat wij verdriet om hem zouden hebben.”
“Het is beter zo.” Evelyn legt haar hand op Manon’s arm. “Hij had zoveel pijn.”
“Ik weet het.” Manon vermant zich en staat op. “Zal ik koffie halen?”
“Lekker.”
“Twee cappuccino, schat?” Vraagt de man met de vettige krulletjes die achter de bar staat.
“Je mag nooit meer raden.”
“En twee glaasjes water?”
“Volgens mij kom ik hier te vaak.” Manon lacht en kijkt naar buiten. “Wat een prachtige avond, hè?”
“Ja, gelukkig is de wind weer een beetje gaan liggen.” De krullenbol draait zich half om bij het espressoapparaat en kijkt haar aan. “De afgelopen dagen was het een en al wind. Dit weekend zijn er vijfenveertig mensen uit zee gered.”
“Allemachtig.” Zegt Manon werktuiglijk, terwijl ze kijkt hoe de man het schuim van de melk met een lepeltje in de koffie schept. “Alleen door die wind?”
“Het was vooral een combinatie van wind en getij die het onwijs gevaarlijk maakte.”
“Hoe was het vuurwerkfestival?”
“Beestachtig druk.” De man schudt cacaopoeder uit een aluminium bus over het kop. “Tweehonderdvijftigduizend man. Zelfs hier zat het vol, en dan zitten wij toch een eindje van de boulevard af. Duitsland heeft gewonnen." Hij pakt een trommel. “Koekje erbij, schat?”
“Koekje erbij.” Zegt Manon en legt vier euro op de bar. “Die twintig cent mag je houden.”

“Er zijn dit weekend vijfenveertig mensen uit zee gered.” Manon zet de cappuccino op het rotan tafeltje.
“Het waaide ook verschrikkelijk. Ik begrijp niet dat mensen dan toch in zee gaan.” Evelyn schudt haar hoofd. “En wij betalen allemaal weer mee aan die reddingsoperaties.”
“Nee, dat is niet zo." Wijst Manon haar terecht. "Dat dacht ik vroeger ook, maar iedereen wordt gratis gered.”
“Maar de overheid betaalt die reddingsbrigade toch?”
“Die draait voornamelijk op donaties en schenkingen. Het schijnt dat alleen in Denemarken de overheid de verantwoordelijkheid voor de drenkelingen op zich neemt.”
“Oh.” Evelyn neemt voorzichtig een slokje van haar cappuccino. “Dan vind ik eigenlijk dat die motormuis, hoe heet-ie, Arjen Hilbers, ook zijn eigen redding wel kan betalen. Die wist ook van tevoren wat voor risico hij liep in de Sahara met dat woestijnvolk. Er zijn daar aan de lopende band ontvoeringen. Er was nota bene een negatief reisadvies.”
“Ze hebben toch geen losgeld betaald?”
“Dat zeggen ze. Maar ik heb ook gehoord dat er via een omweg vijfenzestig duizend euro is betaald. Ik kan me trouwens ook niet voorstellen dat die gijzelnemers na bemiddeling met Mali hun gijzelaars zomaar naar huis hebben gestuurd. En waarom zou Mali voor niks willen onderhandelen? Dat is een straatarm land, dus die zullen er op een of andere manier wel voor beloond worden, in de vorm van extra ontwikkelingshulp of zo.”
“Officieel kan het in ieder geval niet omdat ontvoeringen dan een lucratieve business worden.”
“Maar ze zouden hem en die Duitse motorjongens in ieder geval kunnen laten opdraaien voor de kosten die de overheid gemaakt heeft. Ze zijn opgehaald met een vliegtuig van het Duitse leger. Dat is ook niet gratis.”
“Ik denk dat die jongen al genoeg gestraft is. Hij zag er belabberd uit.” Manon denkt aan de magere man met de holle ogen. “Hoe zou het trouwens met die andere gijzelaar zijn? Die van Artsen zonder Grenzen. Heette die ook geen Arjen?”
“Arjàn.” Evelyn knikt. “Erkel. Die is nog steeds niet vrij. Die is volgens mij al meer dan een jaar gegijzeld. Ik weet dat de Russen er mee bezig zijn en volgens mij heeft Balkenende het weer aangekaart bij de Amerikanen. Het is toch wat! Je stelt je zelf als dokter in dienst van gesjochte Tsjetsjeense vluchtelingen en dan overkomt je zoiets.”
“Volgens mij is hij helemaal geen dokter maar cultureel antropoloog.” Zegt Manon. “En ook hìj wist wat de risico’s waren, want dat Dagistan schijnt ook een zeer ontvoeringgevoelig gebied te zijn.”
“Toch ben ik blij dat Matthijs gewoon huisarts in Nederland is.” Evelyn’s grijze ogen glijden weg over het strand. “En hij heeft het gelukkig op het moment vrij rustig, want bij ons is het een gekkenhuis op het werk. Vandaag zijn de servers gecrasht, dus alle email en projectinformatie is weg. Van iedereen. En de systeembeheerder is op vakantie”
Evelyn neemt een slokje koffie en kijkt naar de zee die nu zijn roze kleur heeft verruild voor een bijna lichtgevend groen. “Nou ja, nog twee maanden, dan kan ik met zwangerschapsverlof en hoef ik niet meer elke dag in de file. Oh ja...” ze bukt zich en pakt een envelopje uit haar tas, “je moet de echo’s nog zien.”
“Hoe moet ik dat bekijken?” Manon staart naar het grijzige velletje papier in ansichtkaartformaat.
“Je houdt het ondersteboven.” Evelyn draait het velletje recht. “Kijk, hier zie je iets van een armpje. En dat,” ze prikt op een wittige vlek, “is het hoofdje.”
“Goh.”
“Denk ik.” Vult Evelyn aan en schiet in de lach. “Ach, weet je, zelfs met de uitleg erbij, kon je nog amper de verschillende onderdelen zien. Maar het was wel fascinerend, want in het echt zie je het bewegen. Op zo’n moment wordt het nieuwe leven toch even zichtbaar gemaakt.” Ze wrijft over haar gespannen buik. “Over vier maanden is-t-ie er.”
“Het zal een hele verandering zijn.” Manon doet de echo weer terug in de envelop. “Nou ja, als het moederschap tegen valt kun je hem altijd nog in het Moeder Mozes Mandje leggen.”
“Een wat?”
“Een Moeder Mozes Mandje. Zo noemen ze het babyluikje in Antwerpen.”
“Dat zegt me nog niks.” Evelyn veegt met een ongeduldig gebaar een blonde sliert haar weg. "Wat is in hemelsnaam een babyluikje?"
“Dat is een soort verwarmd hokje waar moeders anoniem hun ongewenste kindjes in kunnen leggen. Ze kunnen zich dan nog even bedenken voordat het deurtje dicht gaat.”
“En dan?”
“Dan komt er een verpleegster die zich over de baby ontfermt. Uiteindelijk zal hij wel afgevoerd worden naar een weeshuis en in het adoptiecircuit komen.”
“Ik kan me niet voorstellen dat je zoiets doet.” Evelyn legt haar hand beschermend op haar buik.
“Je moet maar wanhopig zijn en geen kind willen of er niet voor kunnen zorgen. Het is beter dan de baby bij het grootvuil te zetten of het te vermoorden en te begraven. Zeker nu de pil uit het ziekenfonds gaat zullen de ongewenste zwangerschappen wel weer toenemen. Als je geen baby wilt, dan wil je hem niet en dan kan er maar beter zo’n mogelijkheid zijn.”
“Nou, die van ons is welkom.”
“Die komt in een fijn nestje.” Manon knikt. “Hoewel dat ook vaak betrekkelijk is. Ik zag vanochtend een foto in de krant van een man die een zelfmoordaanslag heeft gepleegd op een Israëlische stadsbus. Hij had door een fotograaf een portret laten maken van zichzelf met zijn dochtertje en zijn zoontje op de arm. Op de achtergrond vrolijk, kleurig kinderbehang. Het lijkt een doodgewoon familieportret, maar het huiveringwekkende aan die foto is dat hij op dat moment heeft geweten dat hij die aanslag zou gaan plegen. Twintig doden.”
“Fijne herinnering voor die kinderen.” Evelyn vertrekt haar gezicht. “Die moeten wel zonder vader verder.”
“Zijn weduwe is vijf maanden zwanger, net als jij. Maar die zegt dat ze verschrikkelijk trots op hem is.” Manon pakt haar telefoon en houdt het lensje naar de horizon waar de zon als een bloedrode druppel in de parelmoeren zee wegzakt.

Gepubliceerd: 25-08-05. Vond plaats op: 25-08-03. Tags:  gynaecologie en zwangerschap ; misdaad en corruptie ; ouderschap en opvoeding ;