Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 56: Over uitgedroogde bejaarden en Hollandse beulen  »
 
Manon is op bezoek bij de oude man (haar vroegere buurman) in zijn nieuwe bejaardenwoning. Hoewel hij zelf 84 is, voelt hij zich niet thuis tussen al “die bejaarden” die alleen met elkaar willen koffiedrinken. Hij is net terug van een voorlichtingsbijeenkomst over het herkennen en voorkomen van uitdrogingsverschijnselen want er is een vrouw in het complex overleden door de hitte. Ze praten over Dirk Hoogendam, de oorlogsmisdadiger, die is (...)

“Als we daar mijn oude buurvrouwtje niet hebben.” De oude man kijkt haar met zijn waterige blauwe ogen verheugd aan. Zijn sneeuwwitte haar is achterover gekamd en wordt door de brillantine op zijn plek gehouden. “Gezellig om je weer eens te zien.”
“Kijk eens!” Manon duwt hem een boeket in de handen. “Voor jou!”
“Mijn lievelingsbloemen.” Hij kijkt verrukt naar de grote bos zonnebloemen. De gele blaadjes liggen als een gouden krans om het roodbruine hart, dat uit kleine stervormige bloemetjes bestaat.
“Dat weet ik.” Manon pakt de bloemen weer uit zijn handen. “Waarom heb je die dikke trui aan? Het is hartstikke warm.”
“Ik heb het helemaal niet warm. Eerder koud.”
“Malle oude man.” Manon haalt haar schouders op en loopt kordaat naar het kleine keukentje. “Ik zal een vaas voor je pakken.”
De oude man sloft achter haar aan. “Zal ik dan thee maken?”
“Lekker.” Manon snijdt met een scherp mesje een stukje van de stelen van de zonnebloemen. “Bevalt het nu een beetje hier?”
“Het begint te wennen, maar het is niet de Jan Prinsenstraat, hoor.” Hij schuift haar een kristallen vaas toe.
“Nee, dat niet, maar je kijkt hier wel leuk uit over het groen,” Manon vult de vaas met een klein laagje water, “en er wonen ook vast wel aardige mensen om je heen.”
“Daar heb ik haast geen contact mee.” Zegt de oude man korzelig. “Het zijn allemaal van die oude mensen en ze willen alsmaar zitten en koffie drinken. Daar heb ik geen tijd voor, ik schilder nog steeds elke middag.”
Manon schiet in de lach. “Maar jij bent zelf ook al vierentachtig. Ze zijn natuurlijk niet gewend van die uitslovers om zich heen te hebben.”
“Nee, dat zal wel niet dan.”
“Waar wil je ze hebben?”
“Zoek er maar een mooi plekje voor.”
Manon loopt naar de woonkamer en kijkt om zich heen. De ruimte staat vol met persoonlijke rommeltjes die ze zich nog herinnert van het gespiegelde buurhuis. Aan de muur hangen eindeloos veel tekeningen en schilderijen van de overleden vrouw van de oude man. In de hoek staat een ezel met een half af schilderij: grijs-witte wolken tegen een blauwe lucht. Ze zet de bloemen op het kastje naast de televisie.
De oude man komt binnen en zet met trillende handen een dienblad neer. Er staan twee porseleinen kopjes op, een suiker- en melkkannetje en een schaaltje met koekjes. “Zo, de thee moet nog even trekken”.
“Loop je nog steeds zo veel?” Manon gaat zitten.
“Nee, de laatste weken gaat dat niet meer. Het zal wel door de hitte komen. Ik doe het wat kalmer aan.”
“Heel verstandig. Het is hier anders best uit te houden.”
“Dat komt omdat ik op de eerste verdieping zit. Ik krijg veel schaduw van deze jongens.” De oude man wijst op het zware groen van de eikenbomen voor zijn raam. “Er is een paar dagen geleden wel een vrouw hier in huis overleden door de hitte. Maar die woonde boven.”
“Jeetje.” Manon is ontdaan. “Kende je haar?”
“Niet persoonlijk. Ik heb haar wel eens zien lopen, ze zag er redelijk gezond uit. Toen het zo warm werd hield ze de ramen en deuren van haar woning potdicht om de hitte buiten te houden. Haar zoon vond haar na een week bewusteloos in haar gloeiend hete slaapkamer.”
“Een week? Had niemand dat dan opgemerkt?”
“Nee, dat vind ik ook zo raar. Daarvoor zit je toch in zo’n huis? Dan denk je dat je goed in de gaten wordt gehouden.” Hij snuift misprijzend. “Allemaal schijnveiligheid. Afijn, ze hebben die vrouw direct naar het ziekenhuis gebracht en haar temperatuur bleek boven de tweeënveertig graden te liggen. Haar hart was op hol geslagen en door de oververhitting heeft ze een beroerte gehad.”
“Wat een treurig verhaal.” Manon kijkt hem meelevend aan. “En die arme zoon!”
“Maar ik weet inmiddels wat je moet doen als je iemand vindt die bevangen is door de hitte.” De oude man steekt triomfantelijk zijn wijsvinger omhoog. “Ze hebben vanochtend hier in het huis een voorlichtingsbijeenkomst georganiseerd met koffie en gebak. Je moet het slachtoffer direct naar een koele plaats brengen.”
“Dat lijkt me logisch. En wat als die er niet is?”
“Dan in een koud bad stoppen of in natte lakens wikkelen. Maar je moet ook weer zorgen dat ze niet onderkoeld raken. Een heel gedoe.”
“En daar geven ze jullie voorlichting over?” Manon is oprecht verbaasd dat ze met dit soort informatie de tachtig- en negentigjarigen lastig vallen.
“Het meest nuttige was dat we hebben geleerd hoe je de eerste symptomen van oververhitting bij jezelf kan herkennen. Eerst ga je zweten, dan krijg je krampen en word je misselijk. Als je duizelig wordt, moet je echt gaan oppassen. Veel drinken, want dat schijnen die oudjes maar matig te doen.”
“Drink jij wel genoeg.” Vraagt Manon.
“Op zijn tijd een borreltje.” Hij lacht samenzweerderig.
Er wordt aangebeld. De oude man staat moeizaam op.
“Zal ik even?” Manon staat ook op.
“Nee, zeg!” Verontwaardigd sloft hij naar de deur. Manon hoort een mompelende mannenstem en dan de heldere stem van de oude man: “Nee, echt niet, hoor! Dat heb ik ook al tegen uw vrouw gezegd. Het spijt me, maar daar ben ik niet van gediend.” De deur slaat met een harde klap weer dicht.
“Daar had je het weer, dat was de buurman.” Zegt de oude man humeurig. “Of ik morgenochtend koffie kom drinken. Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken. Ik drink wel thee met mijn oude buren.” Hij knipoogt naar Manon.
“Het is vast goed bedoeld.”
“Ik vertrouw die man niet. Volgens mij is hij fout geweest in de oorlog, maar helemaal zeker weet ik het niet.” Hij wankelt even voor hij gaat zitten.
“Gaat het wel?” Manon wil opstaan.
“Beetje duizelig, verder niets, hoor.” Hij wuift haar bezorgdheid weg met zijn hand en gaat zitten. “Gelukkig is er weer een de pijp uit.”
“Wat?”
“Een oorlogsmisdadiger. De beul van het Hollandsche veld.” De ogen van de oude man fonkelen fanatiek achter zijn dikke brillenglazen. “Dirk Hoogendam. God, die was ook zo fout. Tijdens de oorlog heeft hij bij de SS gezeten. Hij heeft heel wat onderduikers opgespoord en mishandeld.”
“Zat hij in de gevangenis?”
“Nee, jammer genoeg niet. Hij is in 1950 al veroordeeld in Nederland, maar ze hebben hem nooit kunnen pakken omdat hij naar Duitsland is gevlucht.”
“En die hebben hem natuurlijk niet uitgeleverd.” Begrijpt Manon
“Dat wilden ze wel, maar ze konden hem niet vinden. Hij had een andere naam: Dieter Hoohendam. Maar ze hebben hem uiteindelijk toch te pakken gekregen. Twee jaar geleden is hij opgespoord door een paar journalisten. Hij heeft levenslang gekregen maar hij heeft er geen dag van in de gevangenis doorgebracht omdat ze vorige maand pas om zijn uitlevering hebben gevraagd. En nou is hij dood.”
“Dan heeft hij misschien toch nog een paar benauwde laatste jaren gehad.”
“Ik hoop dat je nooit een oorlog hoeft mee te maken, kindje. Het is verschrikkelijk, dat bombardement... Ik herinner het me als de dag van gisteren. 3 maart 1945...” Zijn ogen krijgen een weemoedige, naar binnen gekeerde uitdrukking. “Ik heb zoveel mensen verloren. Buren, vrienden en kennissen... En ik heb van niemand afscheid kunnen nemen.”
“Gelukkig heb je het zelf overleefd.”
“Ik was met mijn vrouw bij mijn schoonmoeder in Amsterdam toen het gebeurde. Toen ik thuis kwam was alles weg. Maar we kregen al snel een ander huis toegewezen.”
“En een pan.” Geeft Manon aan. Ze heeft het verhaal al meerdere keren gehoord.
“Van de gemeente.” Knikt de oude man. “Mijn vrouw moest er in wassen en koken. Toen we gingen trouwen bracht ze een geweldige uitzet in waar ze jaren voor gespaard had: prachtig serviesgoed, geborduurde lakens, kleedjes... Daarna heeft ze nooit meer iets om spullen gegeven.” Om zijn vochtige ogen te maskeren buigt de oude man zich voorover en schenkt thee in de breekbare kopjes. Door zijn bibberende handen morst hij een beetje op de schoteltjes. “
“Wanneer moet jij eigenlijk weer naar de dokter?” Manon kijkt hem bezorgdheid aan.
“Ergens volgende week.” De diepe groeven in zijn voorhoofd vertrekken zich tot een frons. “Maar maak jij je nou maar geen zorgen, voorlopig ga ik gewoon door. Ik sterf in het harnas, dat wil zeggen: in de verf.” Hij knikt naar het schilderij in de hoek. “Maar voorlopig ben ik dat nog niet van plan.”

Gepubliceerd: 14-08-05. Vond plaats op: 14-08-03. Tags:  oorlog ; ouderdomsziekten ; Tweede Wereldoorlog ; weer en klimaat ;