Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 158: Over schijnveiligheid en romantische mesttakjes  »
 
Manon en Felix zijn met Pauline en Jan-Willem op weg naar Reims. Het valt Jan-Willem op dat er veel maretak in de bomen zit. Onderweg zien ze een auto-ongeluk en Pauline vertelt dat de vrouw van Hans Wiegel is overleden. Pauline vertelt dat ze een fikse bekeuring heeft gehad wegens een kapot achterlicht en dat ze geen identificatiebewijs bij zich had.

“Doen ze het nou met elkaar?” Pauline zit naast Jan-Willem op de achterbank naar het desolate Noord-Franse landschap te kijken. Het miezert.
“Volgens mij niet." Manon schudt het hoofd. "Ze hadden aparte slaapkamers. Ron sliep in jullie slaapkamer en Fadona in die naast ons.”
“En jullie hebben niks gehoord?”
“Nee.” Felix claxoneert even kort en haalt een tractor in. “Geen blote voetjes over de gang.”
“Jammer!” Pauline zucht.
“Wat zijn toch die bollen die je steeds ziet in die kale bomen.” Jan-Willem wijst naar een rij ijle bomen in het voorbij glijdende landschap. “Die zie je hier overal.”
“Maretak.” Zegt Manon. “Heb je die takjes zien staan op de keukentafel?”
“Met die witte besjes?”
“Giftig trouwens.” Manon knikt. “Ja. Dat is maretak.”
“Maretak is toch mistletoe?” Vraagt Jan-Willem.
“Ja. Ik had ook geen idee, maar Fadona wist er van alles over te vertellen. Zij heeft het geplukt tijdens een wandeling.”
“Ik dacht dat maretak heel zeldzaam was. Maar het sterft hier van die bollen.”
“In Nederland is het zeldzaam.” Zegt Felix. “Alleen in Zuid-Limburg zie je het wel.”
“En bij mijn ouders in de duinen heb ik het wel eens gezien.” Herinnert Manon zich. “Als je rijk wilt worden moet je maretakjager worden. Dat is een lucratieve business want in Nederland betaal je voor een takje van tien tot twintig centimeter al gauw een euro.”
“Dan staat er voor een vermogen op tafel.” Pauline schurkt zich enthousiast tegen Jan-Willem aan. “Mistletoe. Wat romantisch.”
“Zo romantisch is het niet.” Manon glimlacht. “Weet je waar mistletoe vandaan komt? Van het Oudgermaanse woord mist wat mest betekent. En toe is afgeleid van tan, wat twijg of tak betekent. Mesttakje dus.”
“Hè, bah. Hoe dat zo?”
“Omdat de plant zich verspreidt via de ontlasting van vogels. Maar ook via de snavels. Als de zaadjes rijp zijn komt er namelijk een kleverig laagje omheen. De vogels zijn gek op die zaadjes, maar ze blijven aan hun snavels kleven. Ze vegen hun snavels schoon aan de takken en zo ontstaan er nieuwe planten. Daarom wordt het volgens Fadona ook wel vogellijm genoemd.”
“Is er echt helemaal niets romantisch aan?”
“Niet echt. Eigenlijk is het een misselijke plant want hij leeft gedeeltelijk van de sapstroom van de bomen.”
“Een parasiet.” Constateert Jan-Willem.
“Een half-parasiet, want hij kan zelf ook voedingsstoffen maken. Maar hij onttrekt wel veel water en mineralen aan de gastboom. Als er veel maretak in groeit, zoals bij die boom daar,” Manon wijst naar een boom, waarvan de kruin één woest maretakbos is, “dan is dat heel slecht voor die boom.”
“Een pokkuh-plant, dus.” Zegt Pauline grimmig. “Geen mistletoe meer volgend jaar, schat.”
“Helemaal mee eens. We kunnen ook wel gewoon zoenen.”
“Maar...!” Manon steekt haar vinger op. “Voordat je het voorgoed uit je leven bant... Maretak is hèt middel om uit de onderwereld te komen en het kan je ook wijsheid, kracht en geluk brengen. Bij de Kelten was het een heilige plant, zeker als het op een eik groeide. Het symboliseerde de overwinning op de dood, vermoedelijk omdat het een groenblijvend struikje was op een kale winterboom. Vroeger gebruikten druïden het als offer voor de goden. ”
“Dààr ken ik het van.” Roept Jan-Willem uit. “Panoramix uit Asterix gebruikte de maretak om er een toverdrank van te maken. Dat maakte de Galliërs onoverwinnelijk.”
“Maar alleen als het met een gouden sikkel werd gesneden.” Zegt Felix.
“Die Obelix was toch zo sterk omdat hij in de ketel was gevallen toen hij klein was?” Vraagt Manon.
“Ja.” Jan-Willem wrijft in zijn handen. “Goh, wat leuk.”
“Stel jij tomtom eens in, Manon.” Felix geeft haar een zwart apparaatje aan uit het houdertje dat aan het raam gekleefd zit.
“Eens even kijken.” Manon drukt met haar vinger op het beeldschermpje. “Navigeer naar...”
“Reims.” Klinkt Jan-Willem ’s stem opvallend dicht naast haar. Hij heeft zich voorovergebogen zodat hij het proces van het instellen van de navigatie-computer nauwgezet kan volgen.
“Probeer eens NUTTIGE PLAATS.” Zegt Felix. “En kijk eens of de kathedraal er bij staat.”
“Kan dat ook? Ja, hier staat het.” Ze klikt op het ikoontje. “Camping, restaurant, hotel, benzinestation... Nee, geen kathedraal.”
“Druk eens op dat pijltje.” Jan-Willem ’s handen jeuken om het apparaatje van Manon over te nemen. “Volgens mij zit er nog veel meer onder.”
Ambassade, apotheek...” Leest Manon.
“De K indrukken op het toetsenbordje.” Probeert Felix.
“Wat is er ook al weer mis met een gewone Michelinkaart.” Pauline klinkt verveeld. “Waar is dat boek van Frankrijk? Daar stond ook iets over Reims in.”
“Daar zit je op.” Jan-Willem wijst naar het blauwe boek dat half onder Pauline ligt.
“Niets met die K van jou.” Zegt Manon teleurgesteld.
“Dus ook geen kerk.” Constateert Felix.
“Wacht, ik kan nog scrollen.” Manon scrollt door het lijstje nuttige plaatsen. “Gebedsplek. Dat is het vast.”
“Raar,” vindt Jan-Willem, “daar zou ik nou nooit naar gezocht hebben.”
“Maar je hebt wel alles te pakken,” zegt Felix. “Moskeeën, tempels, kerken, de hele rambam.”
“Ja, hoor, Notre Dame.” Manon klikt. “Dat moet hem zijn. Zeventig kilometer, 54 minuten, verwachte aankomsttijd 13.58. Daar linksaf en dan voorlopig gewoon rechtdoor. De eerste afslag is pas over 25 kilometer.” Manon klikt het computertje in zijn houder.
"Kijk uit!" Roept Pauline als Felix de hoek om draait. Er staat een auto tegen een boom. Een paar agenten staan druk te gebaren naar een blonde vrouw, die apathisch op een paaltje zit en eentje staat midden op de weg en maakt een gebaar dat ze vaart moeten minderen.
“Uit de bocht gevlogen.” Constateert Felix nuchter. “Te hard gereden waarschijnlijk.
"Ze leeft in ieder geval nog." Pauline zit met haar neus tegen het raam gedrukt. “De vrouw van Wiegel is gisteren ook verongelukt.”
“Alweer?” Schrikt Manon. “Zijn vorige vrouw toch ook, hoe heette ze ook al weer...”
“Pien.” Helpt Felix.
“Deze heette Marianne.” Zegt Pauline “Wat een toeval, hè. Twee vrouwen verloren, allebei bij een auto-ongeluk, dat verzin je toch niet?”
“Ach, toeval?" Felix komt nu bijna tot stilstand. "Het waren wel zussen.”
“So?” Manon kijkt hem vragend aan.
“Misschien zat roekeloos rijden wel in de genen.”
“Als ze ons maar niet aanhouden.” Manon kijkt benauwd naar de agent die naar hun auto, die stapvoets langs het ongeluk rijdt, tuurt. “Dat kost zoveel tijd. Je hebt de papieren toch wel meegenomen?”
“Die zou jij toch pakken?”
“Nee, dat zou jij doen.” Manon begint zenuwachtig te worden. “Je zou ze van boven meenemen toen je je schoenen ging halen.”
“Nou, dan hebben we ze niet bij ons.” Zegt Felix laconiek.
“Oei, geen identiteitsbewijs.” Zegt Pauline. “Daar hebben wij vorige week zondag een dikke bon voor gekregen. Vijfenzeventig euro.”
“Wat?” Manon is verbijsterd. “Zoveel?”
“Vijftig, omdat we geen identiteitspapieren bij ons hadden en vijfentwintig omdat het achterlicht op mijn fiets het niet deed.”
“Flauw dat ze nu al bonnen schrijven." Vindt Manon. "Die identificatieplicht is net ingegaan."
“Dat is toch scoren.” Felix glimlacht vriendelijk naar de agent die hen gebaart door te rijden.
“Ik dacht dat ze alleen maar naar een identiteitsbewijs mochten vragen als er een gegronde reden voor was.” Zegt Manon. “Bij ernstige delicten of bij dreiging van geweld of schietpartijen of zo.”
“Dat dacht ik ook, maar blijkbaar is een kapot achterlicht ook een ernstig delict.” Zegt Pauline cynisch.
“Het is toch belachelijk." Manon schudt geèrgerd haar hoofd. "Nederland wordt een echte politiestaat. En dat alles onder het mom van terreurbestrijding.”
“Als ze er zorgvuldig mee om gaan kan ik er niet zo erg mee zitten.” Zegt Pauline voorzichtig. “Als je niks op je geweten hebt word je ook niet aangehouden en hoef je je ook niet te legitimeren.”
“Bij jou zal dat ook wel meevallen met je mooie blanke huid.” Zegt Felix. “Maar ik kan me voorstellen dat ze bij iemand met een donker velletje wel een reden verzinnen om even naar hun papieren te vragen om zijn legaliteit te checken. Zo werkt het nou eenmaal.”
“Daar maakt niemand zich toch meer druk om.” Zegt Jan-Willem. “Discriminatie is geen item meer sinds Pim en Geert.”
“Maar daarom kunnen wìj ons er nog wel druk over maken.” Manon snuift verontwaardigd. “Het is toch te gek voor woorden dat je een pasje moet hebben voor de openbare ruimte waar elk willekeurig agentje in je privé-gegevens kan snuffelen?”
“Ach, onze privacy ligt toch al lang op straat.” Pauline haalt haar schouders op. “Dat is al begonnen toen we van Napoleon een achternaam moesten laten registreren. Eerst een naam, toen een geboortedatum met een geboorteplaats erbij en vervolgens krijgt iedereen een Airmiles en AH-bonuskaart op zak, waarmee nauwkeurig je koopgedrag bijgehouden kan worden. Die identiteitspas is gewoon een volgende stap in het proces. Ik begrijp niet waarom jullie je zo druk maken. Ik ruil graag een stukje privacy in voor meer veiligheid.”
“Schei toch uit.” Manon schudt geërgerd haar hoofd. “Je levert je privacy in voor schijnveiligheid. Je denkt toch niet dat je door het opleggen van de identificatieplicht terroristen kan ontmaskeren? Elke zichzelf respecterende terrorist of crimineel zorgt er heus wel voor dat zijn papieren keurig op orde zijn, vals of niet. Die hele identificatieplicht is gewoon een lapmiddeltje van de overheid zodat ze kunnen zeggen dat ze daadwerkelijk iets aan de veiligheid hebben gedaan. En het legt ze geen windeieren, want elke bon levert ze blijkbaar vijftig euro op. En als ze dat geld nou zouden gebruiken om gratis identiteitspasjes te verstrekken. Dat is toch wel het minste wat ze zouden kunnen doen als pleister op de wonde. Die dingen zijn hartstikke duur, ik geloof iets van dertig euro. Dus ze verdienen er nog dik op ook.”
“Nou, jongens, niet zo mopperen.” Felix is het zat. “Ik ben jarig vandaag! En kijk eens naar buiten hoe mooi het is. Die ruimte, die uitgestrektheid, die rust.”
“Ik vind het maar een zompig land.” Pauline kijkt misprijzend naar de vette, bruine akkers. “Overal die troosteloze kleihompen. Het zijn net eindeloze strontvelden”
“Ben je gek!" Lacht Manon. "Het symbool van vruchtbaarheid. Dit is een voorbode van goudgele korenvelden in de zomer. Een en al rijkdom en voorspoed voor de Franse boertjes.”
“Voor de herenboeren dan,” zegt Felix, “want die hebben bijna alles opgekocht van die Franse boertjes. Het grootste deel van de landbouwgrond is in handen van bedrijven die tussen de 100 en 200 hectare groot zijn.”
“Moet je die vervallen boerderij zien.” Pauline wijst naar een boerderij in vakwerkstijl, waarvan het rieten dak gedeeltelijk is ingestort. Op het erf staan autowrakken en verroeste landbouwmachines. “Je zal hier maar opgroeien. Armoede, drank en ontucht.”
“Je ziet ook echt niemand op straat.” Zegt Jan-Willem verbaasd. “Waar zijn al die mensen?”
“Aan het drinken of ontucht aan het plegen waarschijnlijk.” Zegt Pauline laconiek. “Zo gaat dat op het platteland.”
“Het landschap wordt niet mooier van de bewoners.” Zegt Felix. “De mensen zijn hier verschrikkelijk hompig en lelijk.”
“Maar wel heel aardig.” Zegt Manon. “Toen ik in die kroeg mijn fototas vergat, kwam een van die lelijke mannen me nahollen.”
“Zo’n troosteloze kroeg met tl-licht?” Vraagt Jan-Willem gretig.
“TL-licht.” Bevestigt Felix. “Een paar randfiguren zaten gefixeerd naar de paardenrennen te kijken. Voor hun neus kranten met invulschema’s. Met hoop op betere tijden wellicht. De drank vloeide al rijkelijk.”
“Zie je wel!” Zegt Pauline triomfantelijk. “En daarna dronken naar huis om de dochter des huizes te verkrachten.”

Plinius: "Vogellijm wordt gemaakt uit bessen van de mistel die in de oogsttijd onrijp worden verzameld, want als er regen op is gevallen zwellen ze weliswaar maar verslapt de lijm. Dan worden ze gedroogd en geplet en laat men ze ongeveer twaalf dagen onder water rotten. Dit is de enige stof die door rotting aan kwaliteit wint. Daarna worden de bessen onder stromend water nogmaals met een hamer geplet waardoor de schillen loslaten en het vruchtvlees binnenin kleverig wordt. Dit is vogellijm die, waneer men op vogelvangst wil gaan, in olie wordt gekneed zodat de veren van de vogels er bij aanraking aan vastplakken." (uit Naturalis Historia, boek 16 -Vogellijm en maretakken; vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters, 2004)

Gepubliceerd: 08-01-07. Vond plaats op: 08-01-05. Tags:  flora ; Frankrijk ; ict en telecom ; privacy ; transportongelukken ; veiligheid en beveiliging ;