Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 142: Over doorgedraaide soldaten en overbodige godsdienstwetjes  »
 
Manon heeft een afscheidsfeestje gehad met de collega’s van de landelijke stichtingen en rijdt met Teun terug naar huis. Teun vertelt dat zijn partner Cor een verzamelaar is en een brief uit de collectie van Luns op de kop heeft getikt. Manon rijdt bijna iemand aan en ze vloekt, wat haar volgens Teun op drie maanden kan komen te staan als het aan minister Donner ligt, die de wet op de godslastering wil oppoetsen. Op de radio wordt verteld dat Condoleeza Rice de opvolger wordt van Colin (...)

“Nou, dat was een gezellige avond.” Manon kijkt even opzij naar Teun, die naast haar zit in de auto. “Fijn om alle oud-collega’s nog een keer gezien te hebben.”
“Heb je geen spijt?”
“Nee.” Zegt Manon uit de grond van haar hart. “Vanavond is me juist duidelijk geworden dat ik de juiste keus heb gemaakt.”
“Ik moet nou voortaan met de trein.” Mokt Teun. “En ik zal onze ritjes zo missen.”
“Dan gaan we toch gewoon af en toe iets leuks doen. Trouwens volgend jaar ga jij met pensioen.”
“Ik moet er nog niet aan denken.” Zegt Teun somber.
“Ik kan me voorstellen dat de geraniums nog niet lokken.” Manon lacht. “Dan ga je toch als vrijwilliger werken, bij een museum of zo.”
“Daar heb ik ook over lopen denken. Maar ik hoor altijd van mensen die met pensioen gaan, dat ze het drukker hebben dan toen ze nog werkten. En voor je het weet krijg je de verantwoording over een hele museumafdeling en heb je het weer hartstikke druk.”
“Of krijg je lullig werk, waar je geen nee tegen kunt zeggen.” Vult Manon aan. “Het invoeren van de gehele collectie een database bijvoorbeeld.”
“Brrrr.” Teun rilt. “Ik zou me natuurlijk ook kunnen gaan wijden aan onze eigen collectie.”
“Heb jij een collectie?”
“Eigenlijk is hij van Cor, maar hij bevindt zich natuurlijk in ons huis.”
“Dan heb jij nu alle tijd om die collectie af te stoffen.” Manon knipoogt. “Wat voor soort collectie eigenlijk. Kunst?”
“Nee, was dat maar waar. Hij verzamelt de raarste dingen. Schilderijen, meubeltjes, oude wapens. Gisteren heeft hij bijvoorbeeld een brief van Luns bemachtigd.”
“Uit die collectie die geveild werd?” Vraagt Manon. “Ik heb gehoord dat die iets van 170.000 euro heeft opgebracht.”
“Daar kunnen de erfgenamen een borreltje op drinken.”
“Dat is toch bezopen!” Zegt Manon geïrriteerd.
“Wat, dat die collectie zoveel heeft opgebracht of dat de erfgenamen een borreltje drinken.” Vraagt Teun.
“Wíj zouden er een borreltje van moeten drinken.” Manon stuurt behendig om een rood autootje heen, dat met afgeslagen motor voor de blauw verlichte brug staat. “Luns heeft de meeste van die spullen gekregen vanwege zijn functie als minister van Buitenlandse Zaken indertijd.”
“So?”
“Relatiegeschenken.” Zegt Manon fel. “Die hij gekregen heeft in de verwachting dat hij er iets voor terug zou doen. Dat is een ambtsmisdrijf.”
“Ach, dat is allemaal zo lang geleden. En toen was het vast nog geen ambtsmisdrijf.”
“Niks mee te maken. Nu wel, en ik vind dat de staat dat geld moet opeisen. Ze gaan nu ook die hoge ambtenaren die cadeaus en geld hadden aangenomen van die bouwfraudeurs voor het gerecht dagen. Heel terecht.”
“Dat is toch iets heel anders? Luns kreeg die cadeaus vanwege zijn functie.”
“Precies. Die had hij anders niet gekregen. Daarom behoort zijn collectie toe aan alle Nederlanders.”
“Kijk uit!” Teun grijpt haar arm. Manon kan nog net een fietser ontwijken die plotseling oversteekt.
“Jezus!” Roept Manon uit. “Die is zeker levensmoe.”
“Foei!” Zegt Teun vermanend. “Daar kun je zo drie maanden gevangenis voor krijgen tegenwoordig. Als het aan Donner ligt tenminste.”
“Tja.” Manon schudt haar hoofd. “Hoe haalt hij het in zijn hoofd om juist nu te verkondigen dat godslastering strenger aangepakt moet worden. De gemoederen zijn zo oververhit.”
“Ik denk dat het een soort knieval naar de moslims is. Even laten zien dat hij wel degelijk achter ze staat.”
“Maar een aanscherping op die wet is toch absoluut niet wat we willen.” Vindt Manon. “Iedereen roept na de moord op Van Gogh over het belang van de vrijheid van meningsuiting. Lekker handig van een minister van Justitie om dan te gaan roepen dat je die wettelijk wil gaan inperken. Veel mensen zijn juist naar Nederland gevlucht omdat je hier niet vervolgd of vermoord kan worden om je kritiek op bepaalde geloofsuitingen. Nee, die wet is overbodig en kan wat mij betreft geschrapt worden. Waarom moeten gelovigen meer rechten hebben dan atheïsten? Godslastering kan uitstekend in de wet op discriminatie aangepakt worden. Als je er goed over nadenkt is het verdorie nog een discriminerende wet ook. Waarom zou godslastering erger zijn dan het beledigen van mensen met een andere huidskleur of een handicap?”
“Of seksuele geaardheid.” Vult Teun aan. “Ik geloof niet in God en als ik me rot voel wil ik graag godverdomme kunnen roepen.”
“Oei!” Manon vertrekt haar gezicht. “Godslasterlijker kan bijna niet. Zeggen dat je niet in God gelooft en dan godverdomme roepen.”
“Volgens mij ziet Donner hier gewoon een mogelijkheid om het godsdienstwetje van zijn opa weer eens op te poetsen.”
“Zijn opa?” Manon kijkt even opzij.
“De oude Donner.” Teun knikt bevestigend. “Die heeft hem in de jaren dertig ingevoerd.”
“Jeetje.”
“Weer drie maanden cel.” Zegt Teun tevreden
“Voor jeetje?”
“Ja, en natuurlijk ook voor gossie, goh en getsie.” Teun lacht. “Allemaal aanstootgevend.”
“Daar gaat mijn hele basisvocabulaire.” Zegt Manon verbouwereerd. “Het lijkt me duidelijk dat die wet zo snel mogelijk geschrapt moet worden in plaats van aangescherpt.”
“Van mij mag het, ik weet alleen niet of het wel verstandig is dat nu te doen. Het zou nu zo kunnen worden uitgelegd dat je God, Allah, of wie dan ook straffeloos mag beschimpen. Ik geloof dat Donner ook al erge spijt heeft van zijn aanscherpings-uitlatingen, want D66 heeft aangekondigd een motie in te dienen voor het schrappen van de wet. Het schijnt dat ze al een meerderheid in de kamer hebben.” Teun wijst op het verlichte blauwe bord boven de weg. “Hou je wel Den Haag aan?” Hij kijkt op zijn horloge. “Misschien kunnen we ook even naar de filemeldingen luisteren. Het is 11 uur.”
Manon schuift een baan naar rechts en zet de radio aan. “Condoleezza Rice, vertrouweling van president Bush en diens Nationale Veiligheidsadviseur, is de vermoedelijke opvolger van Colin Powell. Deze maakte gisteren zijn aftreden bekend als minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten.”
“Dus Powell gaat toch weg!” Constateert Manon nadat ze gehoord hebben dat er geen files zijn. “Ik had verwacht dat hij de verkiezingen in Irak wel zou willen afwachten. En Condoleeza Rice.” Ze kreunt. “Dat is een keiharde, hoor.”
“Het is een vriendinnetje van Bush.” Teun haalt zijn schouders op. “Powell had veel te veel eigen ideeën. Daar houdt Bush niet van. Nu heeft hij iemand die doet wat hij zegt. Zou ik ook voor kiezen als ik president was.”
“Niet als je een goede president zou zijn. Dan zou je hopelijk iemand benoemen die kennis van zaken heeft, iemand met een brede interesse in de internationale betrekkingen, iemand die je goed kan adviseren.”
“Ach, Bush wil helemaal geen advies.” Teun wappert met zijn handje.
“Jammer dat Powell weg gaat, maar ik begrijp het wel.” Zegt Manon. “Hij heeft nooit erkenning van Bush gekregen voor wat hij deed.”
“Dat is ook wel een beetje zijn eigen schuld.” Meent Teun. “Hij was het die de Veiligheidsraad vlak voor de oorlog in Irak misleid heeft met zijn poging aan te tonen dat Saddam wel degelijk over biologische en chemische wapens beschikte.”
“Ja, dat was geen handige zet.” Beaamt Manon. “Daar heeft hij de wereld eigenlijk met een heleboel ellende opgezadeld. Loyaliteit is goed, maar hij is te ver gegaan. Hij had moeten stoppen toen hij nog alom gerespecteerd werd. Toen hij merkte dat Bush zonder VN-mandaat Irak wilde gaan aanpakken, had hij op moeten stappen. Dan had hij de eer aan zichzelf kunnen houden.”
“Zo slecht doet Bush het anders niet in Irak.” Zegt Teun. “Eind januari zijn er al vrije verkiezingen. Dat zal een hele verandering zijn voor de Irakezen, want die hebben altijd maar op een partij kunnen stemmen, die van Saddam.”
“Ik moet nog zien dat het gaat lukken voor die tijd.” Zegt Manon cynisch. “Voorlopig zie ik het bijvoorbeeld in Falluja nog niet gebeuren. De mensen daar hebben wel wat anders aan hun hoofd. Geen eten of onderdak en geen medische hulp. Het Irakese Rode Kruis mag niet helpen omdat de Amerikanen dat zogenaamd wel doen. Ja, door zwaargewonde mensen een genadeschot te geven.” Ze kijkt Teun aan. “He’s fucking faking he’s dead.” Ze maakt een schietgebaar met haar hand richting Teun. “Pang. He’s fucking dead now.
“Ach, die jongens daar staan ook onder zware stress.” Zegt Teun vergoelijkend.
“Kom zeg! Iemand die zwaargewond is ga je niet zomaar neerschieten.” Zegt Manon verontwaardigd. “Daarom willen ze het Rode Kruis er waarschijnlijk niet bij hebben. Dan wordt bekend wat voor zootje ze ervan gemaakt hebben.”
Op dat moment lichten borden boven de weg op dat ze niet harder mogen dan zeventig kilometer per uur. “Wat is dit nou weer? Er waren toch geen files?”
“Glad wegdek.” Zegt Teun. “Vorige maand zijn hier een paar kettingbotsingen geweest en nu zijn ze in paniek geraakt. Het wegdek schijnt niet te voldoen aan de stroefheidsnormen.”
“Stroefheidsnormen?” Vraagt Manon verbaasd. “Heb je die ook al?”
“Het schijnt iets te maken te hebben met steentjes in het asfalt, die worden gepolijst door de autobanden.”
“En nu?” Manon spreidt even haar armen. “Moeten we nou tot Den Haag zeventig blijven rijden?”
“Ik zou het maar doen, het schijnt dat ze streng controleren. Het is nog maar vijftien kilometer.” Hij aarzelt even. “Ik heb nog een nieuwtje voor je.”
“Oh?” Manon kijkt geïnteresseerd opzij.
“Cor en ik gaan trouwen in december.”

Gepubliceerd: 16-11-06. Vond plaats op: 16-11-04. Tags:  auto ; discriminatie, racisme en anti-semitisme ; Irak ; oorlog ; politiek binnenland ; politiek buitenland ; Verenigde Staten ; vrijheid van meningsuiting ; wetgeving ;