Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 108: Over lugubere moordenaars en vrome verkrachters  »
 
Manon is met Bobbe is bij De Theetuin aan het schuilen voor een enorme onweersbui. Ze raakt in gesprek met een man en een vrouw die onder haar waterdichte parasol komen schuilen over de Belgische boswachter die zes meisjes heeft vermoord. Volgens de vrouw zijn boswachters in het algemeen niet te vertrouwen. Manon, die zich vreselijk daaraan ergert, ziet aan het kruisje om haar nek dat de vrouw katholiek is en begint, heel vals, over de schikkingen die rooms-katholieke priesters moeten betalen voor het sexueel misbruiken van hun (...)

“Bobbe!” Manon roept het kleine hondje dat onder de struiken is verdwenen achter een haastig wegwaggelend egeltje aan. Terwijl ze op haar wacht speelt ze met de zaadjes van de springbalsemien. De dikke gezwollen bonen springen open als je ze aanraakt en er komt een zoetige lucht vanaf. De bloemen kleuren intens roze tegen het donkergroen van het bos. Hoewel de warme julizon haar rug verwarmt kondigt een loodgrijze lucht in het zuid-oosten een flinke regenbui aan. In de verte rommelt het al.
“Bobbe, kom hier!” Dit keer legt Manon een iets dwingender toon in haar stem. Bobbe komt nu haastig aangelopen, een schuldbewuste blik op haar baasje werpend.
Manon’s mobieltje gaat. Nijsje’s gezicht verschijnt op het scherm.
“Hoi, Nijs.” Manon bukt zich en lijnt het hondje aan.
“Regent het bij jullie ook zo? Het is hier noodweer.”
“Ik loop nu in het bos, maar de lucht is inktzwart. Waarschijnlijk gaat het hier zometeen ook mis.”
“Ik zou maar gaan schuilen, want het is geen misselijke bui. Gaat het wat beter met Felix?”
“De koorts is gezakt, maar hij ligt nog wel in bed.”
“Dan kan Jim zeker nog niet bij jullie komen?”
“Nee, geen sprake van. Is alles trouwens goed gegaan?”
“Prima. Ze kwamen zo gewoon uit die schuifdeuren aanzetten alsof ze altijd alleen reisden. De jongens waren zo blij. Tony zeurde natuurlijk gelijk om cadeaus, maar Gaby was onvermurwbaar en zei dat hij moest wachten tot we thuis waren en toen was het goed.”
“Het wordt nu wel erg donker." Manon kijkt met een schuin oog naar de lucht. "Ik ga ophangen, want ik voel de eerste spetter en als ik me haast kan ik nog net het theehuis halen.”
“Succes.”
Even later zit Manon achter een warme kop thee op het terras bij de Theetuin. Ze zit onder een waterdichte parasol en om haar heen stroomt een gordijn van water langs de rand. Het is aardedonker en af en toe rommelt het onweer. Bobbe zit op haar schoot en rilt van opwinding.
“Vindt u het erg als wij er bij komen zitten?” Een dikke, te bruine vrouw lacht een wit fietsenrek bloot onder een lichte snoraanzet. “Dit is de enige plek waar je uit de regen kunt zitten.”
“We kunnen ook binnen gaan zitten, Sheila.” Achter haar staat een smal, grijs mannetje dat verontschuldigend naar Manon lacht. Hij heeft een trillende Jack Russel stevig onder zijn arm geklemd.
“Nee, Ruud, ik wil buiten zitten.” Sheila wurmt zich in een stoel tegenover Manon. “Zo, dat is heel vriendelijk van u.” Ze draagt een spiegelende, grijze zonnebril, zodat Manon niet goed kan zien of ze haar aan kijkt. Daarom knikt ze maar kort.
“Wat een weer, he?” Sheila kijkt naar de lucht. “Hopelijk wordt het zo weer beter, want dit is natuurlijk niets.”
“Ik vind het wel lekker.” Zegt Manon. “Het bos ruikt straks heerlijk.”
“Dat is waar.” Ruud knikt. Hij aait het trillende hondje. “Rustig maar, jongen.”
“Normaal is het zo’n held.” De vrouw werpt een minachtende blik op de hond.
“Hij is bang van het onweer.” Ruud trekt het bibberende hondje liefdevol tegen zich aan en kijkt naar Bobbe “Die van u heeft daar geen last van zo te zien.”
“Nee, die heeft meer belangstelling voor mijn koekje.”
Binnen staat een man in een legergroen pak te praten met een van de meisjes van het theehuis. Ze kijken naar de lucht.
“De boswachter.” Zegt Ruud, geheel overbodig.
“Laat dat meisje maar uitkijken.” Sheila buigt zich vertrouwelijk naar Manon toe. “Boswachters zijn niet te vertrouwen. In België heeft er één zes meisjes verkracht en vermoord.”
“Daarom zijn toch niet alle boswachters moordenaars, liefje.” Ruud’s stem klinkt geïrriteerd.
“Nee, natuurlijk niet, maar het zijn toch rare lui. Ze lopen maar in hun eentje door het bos de hele dag en dan kun je wel eens op rare gedachten komen.” Sheila’s kinnen trillen een beetje als ze praat. “Het is toch vreselijk. Hij kocht een kasteeltje waar hij een meisje verkrachtte en wurgde. Die ligt nu ergens in het bos begraven. Wie weet wat hier allemaal onder de grond ligt.” Haar ogen glijden onwillekeurig over de natte bosgrond. “En die vrouw van hem heeft ook meegeholpen, net als die van Dutroux. Onbegrijpelijk toch? Nee, voor mij even geen boswachters meer.”
Manon kijkt naar de boswachter. Zijn vriendelijke gezicht wordt enigszins wazig door de damp van de hete thee die hij van de serveerster heeft gekregen. “Deze is ongevaarlijk. Ik ken hem wel.”
“Je weet het nooit.” Zegt Sheila samenzweerderig. “Je kan helaas niet altijd aan de buitenkant zien wie er wel of niet deugt. Toch, Ruud?” ze wendt zich opzij.
Manon haalt haar schouders op. Ze kijkt gefascineerd naar de enorme boezem wit vlees die uit het te laag uigesneden t-shirt puilt. “Je weet het inderdaad nooit.” Zegt ze als ze tussen de plooien van het decolleté een klein gouden kruisje ziet. “Wie zou nou verwachten dat er een heel bisdom failliet zou gaan door pedofiele priesters.”
“Wat zegt u nou?” Er verschijnen kleine blosjes onder de spiegelende glazen. “Hoe komt u daar nou bij?”
“In Amerika.” Manon kijkt haar triomfantelijk aan. “Ze hebben zoveel schikkingen moeten regelen met slachtoffers die seksueel misbruikt zijn door priesters, dat ze het faillissement moesten aanvragen.”
“Heb jij daarover gehoord, Ruud.” Sheila stoot haar man aan.
“Ik heb het gehoord.” Ruud knikt aarzelend. “Pedofilie komt helaas vaak voor bij priesters.”
“Dat zal dan wel door dat rare celibaat komen.” Zegt Sheila vergoelijkend. “Dat hadden ze al lang moeten afschaffen. Die jongens willen ook wel eens wat. Nou ja... het is misschien een enkele priester geweest. Er zit altijd wel een rotte appel in een mandje.”
“Het is een schip vol rotte appels.” Manon kijkt haar geringschattend aan. “Je mag blij zijn als er nog een goede tussen zit. In de afgelopen vijftig jaar zijn meer dan vierduizend geestelijken beschuldigd van pedofilie. En er zijn meer dan tienduizend aanklachten ingediend.”
“Dat lijkt me lichtelijk overdreven.”
“Ruim zesduizend gevallen zijn bewezen.” Werpt Manon tegen. “U denkt toch niet dat de kerk schadevergoedingen betaalt als er niets gebeurd is?”
“Miljoenen dollars.” Zegt Ruud triomfantelijk. “Die faillissementaanvraag is gewoon een slim truckje om onder al die schikkingen uit te komen. Het bisdom heeft nog een enorm vermogen, maar dat zit voornamelijk in onroerend goed.”
“Hypocriete dieven zijn het.” Zegt Manon fel. “En hun slachtoffertjes kunnen stikken met hun psychische problemen die ze door dat misbruik hebben opgelopen.”
“Satan is toch sterker dan wij denken.” Sheila neemt het kruisje in haar hand en kijkt met een vrome blik voor zich uit.
“Ik zou me dus maar niet druk maken om die boswachter.” Manon kijkt omhoog. Het is droog. De zon schijnt weer en de regendruppels op de blaadjes van de rododendronstruik naast haar liggen als kleine zilveren parels te verdampen in de zon. Ze snuift de kruidige geur van het opgefriste bos op, zet Bobbe op de grond en staat op. “Wij gaan weer eens. Prettige dag verder.”

Gepubliceerd: 08-07-06. Vond plaats op: 08-07-04. Tags:  christendom ; misdaad en corruptie ; weer en klimaat ;