Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 103: Over getatoeëerde volksliederen en suïcidale prestatiedrang  »
 
Manon en Felix zijn door buurvrouw Mieke uitgenodigd wat te komen drinken in het café waar de voetbalwedstrijd Nederland-Duitsland wordt gekeken op een groot scherm. Manon praat met Rien, en Leen en Cor over de wedstrijd. De twee mannen hebben een woord van het Wilhelmus in hun arm laten tatoeëren als protestactie tegen het feit dat Beatrix het exclusieve alleenrecht wil op het Wilhemus. Rien’s dochter heeft eindexamen gedaan en wacht op de uitslag. Leen weet te vertellen dat een Hindoestaans meisje zelfmoord heeft gepleegd toen ze hoorde dat (...)

“Zullen we nu nog even met Bobbe lopen?” Felix staat op. “Zometeen wordt het misschien een zootje op straat. Het wordt toch niks meer met die wedstrijd. 1-0 voor Duitsland. De klungels! Hoe kunnen ze dit nou laten gebeuren? Die jongens verdienen een vermogen om één keer in de vier jaar te scoren en dan doen ze het niet!”
Manon kijkt op van haar laptop en werpt een blik op haar horloge. “Er kan nog van alles gebeuren,” zegt ze opbeurend, “ze hebben toch nog iets van tien minuten?”
“Ik hou van je eeuwige optimisme.” Felix werpt haar een handkus toe en loopt naar de deur. “Maar ik geloof er niet meer in. Bobbe, kom.”
Bobbe rekt zich uit en staat op. Haar staartje begint onmiddellijk te zwaaien en ze kijkt Manon vragend aan.
“Ja, ik kom ook.” Zegt Manon, meer tegen Bobbe dan tegen Felix. “Nog even dit saven.” Ze bewaart haar werk en klapt de laptop dicht.
Het is doodstil op straat en ze lopen in de schemering langs de huizen. De grasmat op de televisies, die vrijwel overal aan staan, kleuren de huiskamers in een spookachtige groene kleur. Plotseling klink er een enorm gejoel en geschreeuw.
“Volgens mij heeft Nederland gescoord.” Felix steekt luisterend zijn vinger op. “Het werd tijd.”
“Zie je, in tien minuten kan er veel gebeuren.”
“Je hebt helemaal gelijk.” Felix slaat zijn arm om haar heen. “Afgelopen zondag vielen er nog twee doelpunten van Frankrijk in blessuretijd. Wel sneu voor de Britten, die hadden de champagne al klaar staan.”
“Moeten ze maar scherp blijven.” Manon haalt haar schouders op.
Als ze bijna weer thuis zijn zien ze Mieke staan voor de gevel van haar compleet in oranje en rood-wit-blauw gehulde café. Er hangt een enorme opblaasleeuw aan een van de bovenramen.
“Heeft Nederland gescoord?” Vraagt Manon enigszins overbodig.
“Ja! Van Nistelrooy.” Mieke kijkt hen met stralende ogen van onder haar oranje pruik aan. “Het werd wel tijd, hoor. De stemming was echt een beetje bedrukt. Jullie hebben het zeker wel gehoord? Het dak ging er bijna af.” Ze spreekt luid om boven het geruis van de wapperende vlaggetjes uit te komen die van de gevel naar de lantarenpaal zijn gespannen. “Kom even binnen dan kunnen we het eind nog zien.”
Manon kijkt Felix aarzelend aan.
“Ja, gezellig.” Felix knikt en zet Bobbe op zijn arm.
Binnen worden ze overvallen door een rokerige, chauvinistische oranje-orgie. Er heerst een uitgelaten stemming die enigszins wordt getemperd door de spanning van de laatste minuten.
“De buurtjes, Rien!” Roept Mieke naar een dikke, kleine man die, al bier tappend, zijn blik vrijwel onafgebroken op het grote scherm houdt waarop in wazige vlekken de wedstrijd te zien is. Ook hij heeft een oranje pruik op. “Geef ze wat te drinken van ons.”
Manon laat zich op een barkruk zakken die in de kleuren van de Nederlandse vlag is gehuld. “Goed, hè, Van Nistelrooy.”
“Ja, maar niet mooi genoeg.” Rien kijkt haar even aan met zijn kroegdoorlopen, fletsblauwe ogen. “Ze moeten er minstens nog een scoren, en ze hebben nog maar een minuut.”
“Sssst.” De dikke, naar zweet ruikende man naast haar stoot haar geërgerd aan en wijst naar het scherm.
Zwijgend volgens ze de laatste minuut van de wedstrijd.
Dan het eindsignaal en er klinkt nogmaals een luid gejuich. Iedereen begint opgewonden door elkaar te praten.
“Biertje?” vraagt Rien.
“Nee, doe voor mij maar cola light.” Manon kijkt naar Felix, die druk in gesprek is met Mieke. “Voor hem ook maar.”
“Fantastisch doelpunt, hè?” De dikke naast haar kijkt haar opgewonden aan. Er ligt een dun laagje vocht over zijn blauw dooraderde wangen en zijn neus heeft de vorm van een champignon die te lang op de barbecue heeft gelegen. Er zitten kleine zwarte putjes in.
“Ik weet het niet,” bekent Manon, “ik heb het niet gezien.”
“Van Nistelrooij. Een surplus aan beheersing en elasticiteit.”
Manon heeft geen idee wat ze zich daarbij moet voorstellen en knikt daarom maar instemmend.
“Maar het was verder een ontzettend flauw wedstrijdje, Sjaak.” Aan de hoek van de bar buigt zich een schriel mannetje met een enorme druipsnor in een verlopen gezicht voorover. “Als dat onze Hollandse leeuwen zijn weet ik het niet meer. Mijn god, ze speelden echt met hun staart tussen hun benen.”
“Het leken meer bange katjes.” Sjaak lacht, een schrale bierlucht uitademend. “Zo gaan we dat EK natuurlijk nooit winnen.”
“Tegen die moffen hadden ze wel wat meer lef mogen tonen.” Het schriele mannetje neemt een slok bier, het schuim blijft op zijn snor staan.
“Die van der Meyde heb je trouwens ook niks aan.”
“Nee.”
“Wel goed dat Advocaat Zenden verving voor Overmars. Die is lekker pittig.”
“Maar niet meer zo pittig als vroeger, hij wordt ook een jaartje ouder.”
“Maar we hebben die moffen in ieder geval wel een poepie laten ruiken.”
Manon strijkt met de punt van haar schoen over de lege flesjes in het kratje dat naast haar kruk staat en verbergt een geeuw achter haar hand. Ze kijkt naar Felix, die zo te zien een geanimeerde conversatie met Mieke heeft en vervolgens blijft haar blik weer rusten op de man naast haar.
Sjaak’s dikke buik hangt op zijn bovenbenen en op zijn ontblote arm is het woord Duitschen getatoeëerd. Ze tikt op zijn arm en kijkt hem vragend aan.
“Wat?”
"Duitschen?" Ze fronst haar wenkbrauwen.
“Oh, dat!" Sjaak kijkt naar zijn arm. "Je zult het misschien niet geloven, maar dat is een woord uit het Wilhelmus. Ben ik van Duitschen bloed weet je wel.”
“Maar waarom heb je dat op je arm laten tatoeëren?”
“Ik ben één van de ware beschermers van het Nederlandse volkslied.” Hij slaat zich op de borst.
“Waarom dan maar één woord?”
“We protesteren tegen onze koningin. Heb Schiffmacher verzonnen.”
“Een of andere tatookoning.” Legt Rien uit. “Samen met nog een stelletje andere idioten hebben ze het eerste couplet van het volkslied op hun armen laten tatoeëren, allemaal één woord.”
De schriele stroopt zijn overhemdsmouw op.
“Die had ik liever gehad,” Sjaak kijkt met spijtige blik naar het woord bloed dat op de magere onderarm staat getatoeëerd. “Maar Leen was een week voor mij. Alleen deze was nog over. Daar zit ik mooi mee nou.”
“Doe jij niet mee?” Vraagt Manon aan Rien. Die schudt zijn hoofd.
“Rien houdt niet van kunst.” Leen lacht en trekt zijn oranje shirt omhoog
“Kunst.” Rien kijkt minachtend naar de enorme draak die over de ingevallen borst kronkelt. “Het zijn allemaal dezelfde ongeïnspireerde plaatjes, met hier en daar een kleine variatie. Heb je ooit een originele tatoeage gezien, Manon?”
“Niet echt.” Bekent ze. “Volgens mij hebben die tatoo-makers allemaal hetzelfde boek waar ze de plaatjes uit halen. Ik hou er niet zo van, je stigmatiseert jezelf er zo mee.”
“Gaan we sjieke woorden gebruiken?” Leen kijkt haar verongelijkt aan.
“Ik bedoel dat je jezelf met je tatoeage zo duidelijk bij een bepaalde groep indeelt.” Verklaart Manon. “Vaak is dat maar een tijdelijke wens en daardoor krijgen de meeste mensen er volgens mij ook spijt van.”
“Ik ken anders niemand die er spijt van heeft.” Zegt Leen humeurig. “En van het Wilhelmus zal ik altijd blijven houden.”
“Oh, maar deze actie vind ik nou juist wel weer aardig.” Zegt Manon vlug. “Het idee dat in Nederland het eerste couplet van het Wilhelmus rondloopt.” Ze wendt zich tot Sjaak. “Alleen moet je me nog eens uitleggen waarom die tatookoning hiermee actie voert.”
“Heb je niet gehoord dat Bea het Wilhelmus voor zichzelf wil hebben? Raar mens!”
“Het Wilhelmus is van ons allemaal.” Leen slaat met zijn vuist op de bar.
“Het is toch bezopen dat de militaire kapel het Wilhelmus niet meer mag spelen op Valkenburg.” Vervolgt Sjaak. “Dat is toch hartstikke leuk als er een hoge pief aan komt.”
“Het mag nog wel, maar alleen als zij er zelf bij is.” Zegt Leen. “En dat komt natuurlijk bijna niet voor.”
“Mag het bij voetbalwedstrijden nog wel gespeeld worden?” vraagt Manon.
“Ze mot het niet wagen om daar aan te komen.” De fletse bierogen in het magere gezicht worden plotseling ongekend fel.
“Hadden we Juul nog maar.” In Sjaak’s stem klinkt weemoed door. “Die gaf helemaal niet om dit soort dingen. Die stijve dochter van haar moet zo nodig weer eens moeilijk doen. Geef me nog een biertje, Rien.”
“Komt er aan.” Rien staat zwetend achter de tap.
“Doet die pruik toch af, jongen, het is veel te warm."
“Dit hoort er nou eenmaal bij, Sjaak.” Rien schudt zijn hoofd. “Jij nog wat, Manon?”
Manon kijkt naar Felix, die nog steeds druk in gesprek is met Mieke. “Doe nog maar een colaatje. Heeft Denise al wat gehoord?”
“Nee, morgen wordt ze gebeld door school. Als je de vlag aan de gevel ziet hangen is het okay.”
“Als ik die tenminste nog kan vinden tussen al die oranje-attributen.” Lacht Manon.
“In India heeft een meisje zelfmoord gepleegd toen ze hoorde dat ze gezakt was.” Zegt Leen.
“Nou ja! Dat is overdreven.” Rien schudt meewarig zijn hoofd.
“Dat schijnt veel voor te komen bij Hindoestaanse jongeren. In Nederland ook. En echt op akelige manieren, hoor. Overgieten met kokend water, ophanging, polsen doorsnijden, dat soort dingen.”
“Als ze zakken voor hun eindexamen?” Manon kijkt hem ongelovig aan.
“Om allerlei redenen.” Zegt Leen. “Hindoestanen zijn een raar volkje, hoor. Mijn buren zijn hindoes. Ze houden graag de schijn op dat alles perfect is. Hard werken, een gelukkig huwelijk, veel kinderen. Als dat niet lukt is het een schande en het wordt doodgezwegen. Je gaat jezelf en je familie toch niet te kijk zetten!"
“Triest, zeg.” Manon knikt meelevend. “Die kinderen zijn op die manier natuurlijk helemaal niet opgewassen tegen een beetje tegenslag. En als ze er niet over mogen praten worden het tobberige binnenvetters. Jeetje, dat plaatst zo’n zelfmoord wel in een ander perspectief.”
“Allemaal verknipt.” Zegt Sjaak opgewekt.
“Maar in Nederland sterft het toch van de hulpverleners,” zegt Rien, “kunnen die dan niks doen?”
“Die krijgen geen voet tussen de deur.” Zegt Leen. “De ouders van die kinderen ontkennen het probleem gewoon. In hùn familie loopt alles op rolletjes. Ze zitten tegen een muur te praten. Ze proberen wel de jongeren te helpen die een mislukte zelfmoordpoging hebben gedaan, maar daar schieten ze ook niet veel mee op. Die kinderen zitten namelijk tot aan hun nek vol met schuldgevoelens over de schande van de zelfmoordpoging waarmee ze hun familie hebben opgezadeld. Ze gaan zwerven, raken aan de drugs of gaan de prostitutie in.”
“Nou, ik zou het wel leuk vinden als Denise zou slagen, maar zo belangrijk is het nou ook weer niet.” Rien schudt zijn hoofd.
“Weet je wat pas echt lullig is?” Leen leegt in een teug zijn glas en laat een stekelige boer. “Dat het een foutje was. Dat meissie in India was wèl geslaagd, maar toen dat bekend werd, was ze al dood.”

9 juli 2004 - De koningin heeft haar aanspraken op het volkslied versoepeld. Minister Kamp van Defensie heeft in overleg met Beatrix bepaald dat het Wilhelmus ook gespeeld mag worden wanneer de minister-president en de minister van Defensie buitenlandse gasten ontvangen of uitzwaaien. Het Wilhelmus zal ’in uitzonderlijke gevallen’ gespeeld worden door een militaire kapel ook als er niemand van het Koninklijk Huis aanwezig is.

Gepubliceerd: 15-06-06. Vond plaats op: 15-06-04. Tags:  koninklijk huis ; muziek ; ouderschap en opvoeding ; voetbal ; zelfmoord ;