Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 101: Over zeldzame planeetovergangen en prinsjes op sterk water  »
 
Manon en Evelyn wandelen met Joost in Clingendael. Ze willen naar de Japanse tuin, maar mogen er niet in met Bobbe. Ze besluiten naar de Theetuin te wandelen en praten over de ruzie tussen minister van der Hoeven en haar staatssecretaris Nijs. Bij de theetuin ontmoeten ze Guus en Mark. Evelyn vertelt dat de overgang van Venus heeft gezien in het planetarium in Artis en Mark weet er het een en ander over te vertellen. Mark vertelt dat het hart van de kleine prins eindelijk is bijgezet in het (...)

“Kijk.” Evelyn wijst naar een eenzaam donzig meerkoetje dat hevig piepend op het water drijft. Als Bobbe nieuwsgierig naar de oever loopt, klinkt er geritsel en tussen de gele lissen komt moedermeerkoet haastig aanzwemmen. Ze kijkt zenuwachtig naar Bobbe en gaat tussen het hondje en haar kind drijven. Het kleintje komt naar haar toe en tikt zachtjes, maar dwingend tegen haar snavel. De moeder duikt direct reflexmatig onder om even later weer met een hapje boven te komen. Het jong trekt het gretig uit haar snavel. “Net Joost.” Evelyn kijkt met een vertederde blik van de meerkoeten naar haar zoontje en trekt de kap van de kinderwagen iets verder naar voren, zodat het slapende gezichtje van de baby in de schaduw komt te liggen. “Is de Japanse tuin eigenlijk nog open?”
“Volgens mij wel. Dan moeten we hier links.”
“Wat moet het hier mooi geweest zijn.” Evelyn kijkt opgetogen naar de rhodondendron- en azaleastruiken die nog een laatste glimp laten zien van hun uitbundige bloementooi.
“Het was schitterend. En dan heb ik door mijn vakantie alleen het staartje kunnen meepikken.” Manon tilt Bobbe op en ze wandelen de Japanse tuin in.
“Ho, ho!” Een van de plantsoenwerkers die bij het huisje aan de ingang zit, schiet overeind. Ze staan stil en kijken verbaasd om. “Geen honden.”
“Maar ik draag hem toch.” Manon kijkt hem vriendelijk aan.
“Geen honden.” Herhaalt de man.
Manon wordt ongeduldig: “Ik laat haar echt niet lopen.”
“Kunt u niet lezen, mevrouw. Optillen of niet: honden verboden.”
“Nou, dan niet.” Zegt Evelyn. “Kom op, Non, wat kan ons die Japanse tuin schelen.”
Maar Manon laat het er niet bij zitten. “Toen ik vorig jaar in de Japanse tuin was waren kinderen bezig om de bloesems van de struiken te trekken en takken af te breken. En dat mag wel?”
“Kinderen mogen we niet verbieden, maar honden wel.”
“Manon, dit heeft helemaal geen zin.” Evelyn trekt haar mee. “Kom op.”
“Ik zet nooit meer een voet in die Japanse tuin van jullie.” Manon draait zich nog eenmaal nijdig om.
“Dan doet u dat toch lekker niet.” De man haalt zijn schouders op en gaat weer zitten.
“Maak je toch niet zo druk.” Zegt Evelyn. “Die mensen doen ook maar hun werk.”
“Je kunt toch wel een beetje flexibel zijn?”
“Sommige mensen zijn dat nou eenmaal niet. Bovendien kunnen zìj in de problemen komen als ze jou erin laten. Stel dat jij Bobbe tòch laat lopen als je uit het zicht bent. Hij zal maar een kuil graven in dat mooie, gladde mos.”
Manon zwijgt, humeurig dat Evelyn niet met haar meehuilt.
“Wat een zootje is het toch bij de overheid, hè?” Evelyn probeert tactisch een ander onderwerp aan te snijden. “Nu weer dat gedoe met die staatssecretaris bij OCW. Als ik over de daken liep te schreeuwen dat ik een slechte relatie met mijn baas had en dat die politieke spelletjes speelt was ik al lang ontslagen.”
“Van der Hoeven laat dat ook heus niet zomaar over zich heen gaan.” Zegt Manon onwillig. “Dat is een bitch, hoor. Nijs zal nu echt wel gewipt worden.”
“Ik weet het niet.” Evelyn aarzelt. “Het is niet de eerste keer dat ze met elkaar in de clinch liggen, het schijnt al heel lang niet te boteren tussen die twee. Ik heb gelezen dat OCW zelfs een speciaal computerprogramma heeft aangeschaft om de twee vechtjasjes dichter bij elkaar te brengen.”
“Een computerprogramma?” Manon trekt haar wenkbrauwen op. “Wat moet ik me daarbij voorstellen? Love each other for dummies?"
“Geen idee, maar het was in ieder geval weggegooid geld.” Evelyn lacht. “Van der Hoeven wil al heel lang van Nijs af, maar dat is niet zo makkelijk want ze is een van de beschermelingen van Zalm.”
“Maar Maria is volgens mij het lievelingetje van Balkenende,” zegt Manon, “en die is net wat machtiger. De VVD zal dit keer trouwens ook niet zo hard meer tegensputteren, want Nijs heeft ook flink tegen hun eigen schenen geschopt door zich openlijk uit te spreken tegen de politieke rol van het koningshuis. Wat ligt daar nou?” Ze bukt zich bij een papieren zakdoekje waar twee oranje pootjes onder uitsteken. Ze tilt voorzichtig een punt van het zakdoekje op en ziet een dood eendje.
“Ach, gossie,” zegt Evelyn meelevend, “die heeft iemand natuurlijk gevonden en wist niet wat hij er mee moest.”
“Ik zou het ook niet weten.” Manon duwt Bobbe weg die haar neus nieuwsgierig bij het gelige, donzige lijfje houdt. “In de vuilnisbak gooien is ook zo wat.”
“Ik zou hem maar laten liggen.”
“Manon!” Vanaf het terras van de theetuin staat een man te zwaaien, zijn brillenglazen reflecteren het zonlicht.
Manon staat op. “Dat is Guus!” Ze zwaait enthousiast terug. “De ex van Godelieve.”
“Die van dat stel dat twintig jaar samen was?”
“Ja, maar noem Godelieve’s naam maar niet, want dat kan hij absoluut niet aan.” Manon loopt in de richting van het terras.
“Maar ze zijn toch al weer bijna een jaar van elkaar af?”
“Hij heeft er erg veel verdriet van.” Fluistert Manon. “Die man naast hem is zijn broer Mark.”
“Dag, lieve Manon.” Guus omhelst haar en zijn blik valt op Evelyn. “Wie is die schone dame die je bij je hebt?”
Manon trekt Evelyn naar voren. “Eef, dit is Guus en dat is Mark.”
“Enchantée, madame.” Guus geeft Evelyn een handkus, nadat ze de hand van Mark heeft geschud. “Ik heb veel mooie dingen over je gehoord. En dat is je baby?” Hij buigt zich over de wagen. “Jongen of meisje?”
“Jongen.”
“En hij heet Joost.” Zegt Manon beschuldigend. “En dat weet je best. Hij is vlak voor kerst geboren.”
“Manon, er worden zoveel kinderen geboren momenteel. En je weet dat ik toen niet op mijn best was.” Hij spreidt zijn rechterarm in een uitnodigend gebaar. “Komen jullie erbij zitten?”
Manon kijkt Evelyn afwachtend aan.
“Gezellig.” Evelyn parkeert de kinderwagen naast de heg in de schaduw.
“We hebben net thee besteld, willen jullie ook?”
“Graag.”
Guus knikt en loopt naar binnen.
“Mark werkt in de ruimte.” Zegt Manon tegen Evelyn om het gesprek op gang te helpen.
“Ben je astronaut?” Vraagt Evelyn.
“Was dat maar waar.” Mark’s ogen lachen achter zijn ronde brillenglazen. “Ik ben slechts een stoffige wetenschapper die verre planeten bestudeert.”
“Ook spannend!” Evelyn kijkt hem geïnteresseerd aan.
“Hoe is het met André?” Manon wil indruk maken op Evelyn.
“André?” Mark kijkt haar vragend aan.
“André Kuipers. Dat is toch een vriend van je?”
“Hij is terug." Zegt Mark onverschillig.
"Ja, dat weet heel Nederland." Zegt Manon. "Maar hoe is het nu met hem?"
"Wel goed geloof ik. Ik heb hem alleen maar vlak na de landing gesproken en toen had hij wat last van evenwichtsstoornissen, maar dat zal inmiddels wel over zijn. Ik moet hem eigenlijk weer eens bellen.”
“Als jij verre planeten bestudeert weet je ook vast veel van Venus.” Zegt Evelyn. “Ik was in Artis gisteren.”
“In het planetarium.” Mark knikt. “Heb je haar gezien?”
“Wie?” Vraagt Manon nieuwsgierig.
“Venus. Daar hebben we het toch over?”
“Ik heb haar gezien.” Evelyn leunt tevreden achterover. “We mochten om de beurt door een telescoop kijken. Je zag maar een klein zwart stipje, maar het was toch wel leuk.”
“Wel leuk...” Mark glimlacht afkeurend. “Dat vind ik een understatement. Je hebt iets gezien wat nog nooit eerder iemand heeft gezien. In ieder geval niet iemand die nu leeft. De laatste keer was in 1882.”
“Dan heb ik toch wel wat gemist.” Zegt Manon spijtig. “Ik kon mijn eclipsbrilletje nergens vinden en daarna ben ik het weer vergeten.”
“Vergeten?” Mark schudt verbaasd zijn hoofd. “Nou ja, in 2012 komt er weer een." Zegt hij cynisch. "Je had trouwens ook door een cd kunnen kijken.”
“Hoe kwam jij er eigenlijk bij om dit te gaan doen?” Manon kijkt haar zusje enigszins jaloers aan.
“Een ex-collega van mij had vorig jaar in mei de Mercurius-overgang gezien.”
“Ook heel zeldzaam.” Zegt Mark.
“En die was zo enthousiast dat hij dit georganiseerd heeft. Volgens hem was dit nog veel bijzonderder omdat Venus dichter bij de aarde staat, klopt dat?” Ze kijkt Mark aarzelend aan.
“Je hebt helemaal gelijk.” Stelt hij haar gerust. “En Venus is groter dan Mercurius, ongeveer net zo groot als de aarde dus de schaduw die je kon zien was ook bijna vijf keer zo groot als die van Mercurius.”
“Venus lijkt toch ook een beetje op de aarde?”
“Nou... Een heel klein beetje dan. Het zijn allebei terrestrische planeten. Dat betekent dat het oppervlak is opgebouwd uit vaste stoffen. Er zijn ook planeten die voornamelijk uit gassen bestaan zoals Jupiter bijvoorbeeld. Bij de terrestrische planeten zijn de vluchtige stoffen verdampt en daardoor onstond deze mooie aardkorst.” Hij stampt met zijn voet op de grond. “Maar hier ver onder...”
“Is hij weer met zijn planeetpraatjes bezig?” Guus kijkt zijn broer hoofdschuddend aan. “Als hij daar eenmaal over begint...”
“Ik ben er zelf over begonnen.” Zegt Evelyn. “Ik had Venus gezien.”
“Venus!” Guus spreidt theatraal zijn armen. “De Godin van de liefde.”
“Die je overigens lelijk in de steek heeft gelaten.” Zegt Mark droog.
Guus gaat zitten en laat zijn hoofd hangen.
Evelyn bukt zich en rommelt wat onder de kinderwagen. Manon bijt op haar lip en kijkt fronsend naar Mark. Die plukt iets uit de plantenbak naast het terras. “Kijk, eens. Als dat niet toepasselijk is...” hij legt een bloemetje op tafel. “Je wordt door de natuur op je wenken bediend.”
“Een treurend hartje.” Guus streelt het tere bloemetje. “Mijn lievelingsbloemen. Kijk, Manon, het is echt een hartje met een traan. Zo ziet mijn hart er van binnen ook uit.”
Manon hoort Evelyn onderdrukt giechelen en geeft haar een schop.
“Als het er tenminste nog zit.” Gaat Guus verder. “Soms heb ik het gevoel dat Go het heeft meegenomen.”
“Hopelijk krijg je het sneller terug dan de kleine prins.” Zegt Mark droog. “Zijn hartje is honderden jaren zoek geweest.”
“Wie is de kleine prins?” Wil Evelyn weten.
“Lodewijk de Zeventiende, de zoon van Marie Antoinette. Dat jochie is in de gevangenis overleden toen hij tien was. Zijn vader en moeder waren toen al lang onthoofd.”
“Acht wat triest.” Evelyn kijkt even naar Joost die onrustig ligt te bewegen in zijn wagen en af en toe met zijn ogen knippert. “Maar hoezo dan alleen zijn hartje?”
“Een dokter heeft het uit zijn lichaam gehaald en op sterk water gezet. Het potje is gaan zwerven. Een paar jaar geleden is wetenschappelijk vastgesteld dat het daadwerkelijk het hartje van de kleine prins was. Ze hebben het genetisch materiaal vergeleken met dat van Marie-Antoinette. Hij is bijgezet in de koninklijke kapel.”
“Maar waarom hebben ze zijn hartje uit zijn lichaam gehaald?” Evelyn fronst haar wenkbrauwen.
“Omdat dat in die tijd gebruikelijk was bij hooggeplaatste personen.” Vertelt Guus. “Bij het balsemen van het lichaam werden het hart en de ingewanden verwijderd en in een apart kistje gedaan. Bij de restauratie van het praalgraf van Willem van Oranje is ook een kistje gevonden in het graf van Louise de Colligny. Ze vermoeden dat daar het hart en de ingewanden van Willem in zitten omdat ze dat altijd bij zich droeg. Helaas mag het van Beatrix niet geopend worden om te onderzoeken.”

Gepubliceerd: 09-06-06. Vond plaats op: 09-06-04. Tags:  astronomie ; koninklijk huis ; politiek binnenland ;