Kiekje
 
 
 
afbeelding afbeelding
«  Aflevering 100: Over dubbele agenda’s en medische uitbuiting  »
 
Manon krijgt een pelikaan tijdens haar tiende bloeddonatie. Ze raakt in gesprek met twee andere donoren over geldelijke vergoedingen voor bloed- en orgaandonoren. Een van de mannen vertelt dat hij met zijn oude vader naar de herdenking van D-day in Scheveningen geweest is en ze praten over de herdenking van Operation Overlord in Normandië en over het feit dat Amerika zich schandelijk heeft misdragen door Nazi-Duitsland te vergelijken met de oorlog in (...)

“Welke kant wilt u geven?” De dikke Surinaamse vrouw in het witte schort kijkt haar vragend aan. Manon wijst op haar linkerarm.
“Dan mag u hier gaan liggen.” De vrouw klopt op een grote, kunstlederen ligbank en schuift de armleuning opzij. Manon gaat liggen en de vrouw gaat druk in de weer met allerlei stickertjes die ze op zakjes, buisjes en papieren plakt. “Wat was uw geboortedatum ook al weer?”
“Bent u dat al weer vergeten?” Grapt Manon.
De vrouw kijkt haar niet begrijpend aan.
“Dat heeft u toch net al gevraagd.”
“We vragen dit uit voorzorg.” De vrouw fronst geërgerd haar wenkbrauwen. “We moeten zeker weten dat we met de juiste persoon bezig zijn.”
“Ja, ja, dat weet ik.” Mompelt Manon enigszins beschaamd.
“Is alles goed gegaan na de vorige bloeddonatie?”
“Prima.”
“Uw HB is iets hoger dan de vorige keer: 8.3. Dus dan zou het nu ook goed moeten gaan.” De vrouw bindt een bandje om Manons linkerarm. “Maakt u maar een vuist." Ze zoekt een mooie ader in de holte van Manon’s elleboog en ontsmet de plek met een watje. “Daar komt-ie, hoor.”
Manon wendt haar hoofd af en voelt even een vlammende pijn, die echter direct weg ebt. De naald wordt gefixeerd met een pleister. “Geen last van zo?” Manon schudt haar hoofd.
“Dat is het rotste moment, hè?” De oudere man, die tegenover haar ligt, kijkt haar meelevend aan.
“Ach, het prikt maar heel even.” Manon lacht beleefd naar hem.
De Surinaamse vrouw bukt zich en zet een pluchen pelikaantje op het kastje naast haar. “Deze komt op u passen, want u geeft voor de tiende keer. En u krijgt ook nog een mooi speldje.”
“Gefeliciteerd!” Zegt de man aan de overkant. “Dat heb ik al lang achter me gelaten.”
“Hij loopt hier de deur plat.” De verpleegster zwaait achteloos met haar hand naar hem.
“Dit is de achtenzeventigste keer.” Zijn ogen glanzen triomfantelijk achter zijn Lee Towers bril. “Dat zijn heel wat litertjes, mevrouw. Ik gaf al toen het nog op de Sportlaan was. Ik heb eens een man meegemaakt die voor de honderdste keer kwam. Hij was daarover zo zenuwachtig dat zijn bloeddruk te hoog was. Toen mocht hij niet geven.” Hij lacht bulderend en slaat zichzelf op de knie. Het apparaat naast hem, waarop het zakje bloed zachtjes heen en weer wiegt, begint onmiddellijk te piepen.
“U moet een beetje rustig doen, meneer de Bruin.” Zegt de Surinaamse vrouw bestraffend, terwijl ze het apparaat checkt. “Anders mag u niet meer komen.” Ze geeft Manon een knipoog.
“Dan kan ik altijd nog spermadonor worden.” Zegt de Bruin. Hij lacht weer, iets ingetogener nu. “Volgens mij is daar meer vraag naar dan naar bloed sinds de donoren niet meer anoniem mogen zijn. De vrouwtjes gaan nu zelfs naar België voor het zaad. Nou, dan moet je wel wanhopig zijn!”
Manon pakt het witte pelikaantje. “Leuk voor mijn hondje. Die apporteert graaf knuffels.”
“Toch niet deze?” Schrikt De Bruin. “Dit is een trofee, die moet u koesteren. Weet u trouwens waarom u een pelikaan krijgt?”
“Geen idee.” Manon schudt haar hoofd en bestudeert het pluchen vogeltje. Het heeft een oranje vilten snavel en uitpuilende zwarte oogjes.
“Het is het symbool van de bloeddonor. Hij staat voor opoffering. Als de jongen uit het ei komen slaan ze hun ouders in het gezicht. Die slaan natuurlijk hard terug. Zo hard, dat ze de jonge vogels dood slaan. De moeder wordt daar zo verdrietig van dat ze zichzelf tot bloedens toe pikt. Haar bloed stroomt over de kuikens en die verrijzen weer uit de dood. De pelikaan offert zich op voor zijn kinderen.”
“Nadat ze ze eerst heeft doodgeslagen.” Manon snuift. “Ik vraag me af hoe dit soort onzinverhalen ontstaan.”
“Er bestaat een pelikaansoort die een keelzak heeft die bloedrood wordt tijdens het broedseizoen.” De Aziatische man naast Manon mengt zich met een zachte stem in het gesprek. “Dat is de kroeskoppelikaan. Die kleur is misschien verward met bloed. De pelikaan staat overigens ook symbool voor Christus.”
“Christus?” De Bruin trekt zijn wenkbrauwen op. “Wat heeft die er mee te maken?”
“Die offerde zichzelf ook op voor zijn kinderen.”.
“Zo.” De Bruin kijkt hem doordringend aan. “Had Jezus kinderen dan?”
“Wij toch?”
“Jezus die kinderen heeft, pelikanen die hun jongen uit de dood doen verrijzen...” De Bruin haalt zijn schouders op. “Ik vind het allemaal best. “Hebt u uw pelikaan trouwens al?”
“Jazeker, ik geef ook al jaren,” de man werpt een blik op Manon’s pelikaan, “en ik vind het best leuk om af en toe iets cadeau te krijgen.”
“Als het maar geen geld is.” Zegt de Bruin. “Een chocoprins, een pelikaan, af en toe een speldje... Maar ik zou nooit bloed geven voor geld. In Amerika doen ze dat. Arme mensen komen daar soms twee keer in de week om bloed te geven.”
“Nee, dat is niet goed.” Manon doet haar hand langzaam open en dicht om het bloed beter te laten doorstromen. “Dat is pure uitbuiting. Bovendien kan dat toch nooit veilig zijn? Het geld is zo belangrijk voor die mensen dat ze misschien informatie achterhouden waarop ze als donor afgewezen zouden worden.”
“Je hebt ook betaalde orgaandonaties.” De Aziatische man haalt berustend zijn schouders op. “Bij ons in Pakistan staan ze er voor in de rij om een orgaan af te mogen staan. Ze krijgen er twee à drieduizend dollar voor.”
“Zo weinig?”
“Voor de mensen daar is dat bijna zeven keer hun jaarsalaris. Ze zijn erg arm, dus het is wel te begrijpen dat ze het doen.”
“Maar een nier is toch veel meer waard?” Manon fronst haar wenkbrauwen. “Verdienen de ziekenhuizen daar dan zoveel op?”
“Het is een goudmijntje voor de ziekenhuizen.” Beaamt de Pakistaan. “Het is een smerige business en ze lopen er ook niet mee te koop. De donoren worden via de achterdeur binnengelaten, van hun nier ontdaan en zo snel mogelijk weer op straat gezet. Zonder nazorg. Ze gaan veel te snel weer aan het werk met alle gevolgen van dien. De neef van mijn schoonzoon heeft het ook laten doen. Hij heeft nog altijd pijn, terwijl die operatie meer dan vier jaar geleden is. Hij kan bijna niets meer,”
“Vreselijk.” Manon schudt haar hoofd. “Je moet toch wel constant met wroeging rond lopen als je zo’n nier gekregen hebt. Ik zou zoiets nooit doen.”
“Zeg nooit nooit.” Zegt De Bruin. “Ik denk dat je erg egoïstisch wordt als je al jaren ziek bent en op een nieuwe nier wacht. Hier kun je er bijna geen meer krijgen omdat de wachtlijsten zo lang zijn. Meestal ben je al dood als je aan de beurt bent.”
“Zo gaat het nou eenmaal.” De Pakistaan knikt berustend.
De Bruin kijkt op zijn horloge en geeuwt. “Het duurt wel lang dit keer.” Hij kijkt Manon aan. “Waarom geeft u eigenlijk?”
“Ik heb twaalf jaar geleden zelf bloed gekregen tijdens een operatie.” Zegt Manon. “Dan ga je opeens nadenken hoe belangrijk een bloeddonor eigenlijk is.”
“Het is een heel mooi geschenk dat je zomaar van een onbekende medemens krijgt.” Beaamt de Pakistaan.
“Wat ik zo mooi vind is om dat builtje vol te zien stromen.” De Bruin knikt met een liefdevolle blik naar het wiegende zakje naast hem. “Mijn mooie, heldere rode bloed. Mijn vader zou de oorlog niet overleefd hebben zonder bloed van een kameraad. Het is me met de paplepel ingegoten dat je met je bloed misschien levens kan redden. Hij is pas vijfennegentig geworden. Gisteren was ik nog met hem bij de grote herdenking op Scheveningen.”
“Oh ja, het was D-day.” Herinnert Manon zich. “Ik dacht dat dat alleen in Normandië herdacht werd?”
“Dat handjevol militairen wat je hier op de boulevard zag stelde natuurlijk niks voor vergeleken bij de herdenking van Operation Overlord,. Een enorm spektakel.” De Bruin knikt. “Ze hebben honderd kilometer kust afgesloten rond Arromanches. Daar waren dertigduizend militairen ingezet, want het stierf er natuurlijk van de hotshots.”
“Duitsland was er dit keer ook bij hoorde ik.”
“Ja, belachelijk!” De Bruin schudt minachtend zijn hoofd. “Hadden ze daar nou niet nog een paar jaar mee kunnen wachten tot die veteranen dood zijn? Duitsers op de herdenking van D-day, dat is toch een klap in het gezicht van al die oude helden?”
“Ach, de meeste mensen weten niet eens meer waar die herdenking over gaat.” De Pakistaan haalt zijn schouders op. “Ik hoorde gisteren op de radio zo’n onbenullig quizje waarbij gevraagd werd wat er vandaag gevierd zou worden. Niemand wist het. Daar word je treurig van.”
“Zo gaat het.” Zegt Manon. “Maar ik vind het toch wel knap dat de Duitsers het einde van de oorlog nu niet meer zien als een nederlaag, maar als een bevrijding van de dictatuur. Dat is grote emotionele omschakeling geweest. Daarom kunnen ze nu toch wel die herdenking meevieren?”
“Een Duitser blijft een Duitser.” Zegt de Bruin meedogenloos. “Sorry, dat is me met de paplepel ingegoten. Ik maak tegenwoordig heus wel een praatje met een Duitser op de camping, maar ik vind het niet nodig dat ze bij deze herdenking zijn. Je kunt niet zomaar eenzijdig een streep onder de geschiedenis zetten.”
“Wat ik persoonlijk erger vind is dat Bush de feestelijkheden misbruikt voor zijn politieke intriges.” Zegt de Pakistaan. “Zijn eigen veiligheidsadviseur vergeleek Nazi-Duitsland met Irak. Dat is niet netjes.”
“Niet netjes?” De Bruin kijk hem opgewonden aan. “Het is schandalig! Alsof er nog een schuld te vereffenen is die nu met Irak ingelost kan worden.” Hij snuift verontwaardigd. “Toegegeven, Saddam is een vreselijke zak, maar je kunt hem niet op één lijn zetten met Hitler. En bovendien werden de Amerikanen hier ontvangen als bevrijders en daar is in Irak absoluut geen sprake van. De doden in Normandië moeten herdacht worden zonder dubbele agenda’s.” Het apparaatje naast hem begint weer vervaarlijk te piepen. “Gelukkig heeft Chirac Bush al laten weten dat we niet gecharmeerd zijn van zijn heroïsche praatjes.”
“Hopelijk zijn we over een paar maanden van die Bush af. Die man richt veel kwaad aan.” De Pakistaan wiegt zachtjes met zijn hoofd. “Dan kon je nog beter die ouwe Reagan hebben.”
“Reagan..." Het gezicht van de Bruin verzacht zich. "Jarenlang hoor je niks van hem en dan ineens is-t-ie dood.”
“Hij had al zeker tien jaar Alzheimer." Zegt Manon. "Net als Juliana. Het schijnt dat hij niemand meer herkende.”
“Vandaar dat je nooit meer wat van hem hoorde. Een demente ex-president is natuurlijk geen visitekaartje.”
Het apparaat naast Manon geeft een ononderbroken piep.
“U bent klaar.” De verpleegster knijpt het slangetje met een klemmetje af en knipt het door.
“Nu al?” Vraagt Manon verbaasd.
“Acht minuten heeft u er over gedaan.”
“Dat is een nieuw record.” Constateert Manon tevreden.
“En zonder onderbrekingen.” Voorzichtig trekt de vrouw de naald uit Manon’s arm. “U bent een voorbeeldige donor. Blijft u nog even liggen voor het geval u duizelig wordt. Als u denkt dat het gaat, kunt u hierachter nog een lekker kopje koffie halen.”
“Met een chocoprins.” Zegt de Bruin gnuivend.
"Met een chocoprins." Beaamt Manon tevreden.

Gepubliceerd: 07-06-06. Vond plaats op: 07-06-04. Tags:  donorschap ; fauna ; Frankrijk ; ouderdomsziekten ; Pakistan ; psychische problemen ; Tweede Wereldoorlog ; Verenigde Staten ;